elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verschonen 

verschonen  , verschoeëne , verschoeën, verschuëne, verschuënt, verschuënde, v , verschoonen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
verschonen , veskuenn , werkwoord , verschonen. n Aandr veskuenn en zelf met de luuze votgoan, zich benadelen door een ander voort te helpen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verschonen , verscheunen , verscheunen, verscheund , verschonen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
verschonen , verschonen , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. verschonen As het zaoterdag is, moej je verschonen (Hijk), IJ mut je geregeld verschonen, anders kriej ongemak (Scho), Ik kwame driefnat in huus, ik musse mij hielemaole verschonen (Hgv), Ik moe nog even het bedde verschonen schone lakens op bed doen (Hijk) 2. sparen, ontzien Van dat mèens kuj niet verschoond blieven, het lop je de deur plat (Rol), Arften en bonen, de willen we neet verschonen (dva) 3. schoonpraten (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) Hij verschoont humzölf (Dwi), Hij wil homzulf verschonen (Eel), Ie huuft oe veur mij niet te verschonen, veur mij niet. Ik wete wel, daj liegt (Zdw), z. ook verschonigen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verschonen , verschonen , werkwoord , verschonen: schoon ondergoed aandoen, ook in vergelijkbare zin van bijv. een baby
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verschonen , verschôône , werkwoord , verschôôn, verschôônde, verschôônd , 1. verontschuldigen Je hoef je aaige nie zitte te verschôône 2. verschonen, schone kleren aantrekken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
verschonen , verskeunen , (werkwoord) , verskeunen, verskeund , 1. verschonen; 2. sparen, ontzien, in bijv: Döör bin-k van verskeund ‘dat blijft mij bespaard’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verschonen , versjoeane , ich versjoean, doe versjoeans, hae versjoeantj, , 1. verschonen 2. verschoond, gevrijwaard blijven, zie ook versjuuene , Eine voele luier versjuuene.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
verschonen , versjuuene , versjuuentj, versjuuendje, versjuuendj , verschonen, zie ook versjoeane
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
verschonen , verschôone , zwak werkwoord , verschonen; B verschôone - verschonde – verschond; ook in tegenwoordige tijd vocaalkrimping: gij/hij verschont
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
verschonen , verschoeëne , verontschuldigen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
verschonen , verschuuene , verschuuende – verschuuend , verschonen; schone kleren aandoen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut