elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verschieten 

verschieten , verschieten , Geen oogen - hebben is: geen oogen geloken hebben.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
verschieten , verschieten , 1) verschrikken. In dien zin meldt het ook Kiliaen;2) verkleuren. Is oud. Dat kleed, uw jas, dat behangsel, is veel verschoten.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
verschieten , verschieten , (intransitief werkwoord) , verschrikken. Hij verschiet, verschoot, je zoudt er van verschieten.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
verschieten , verschieten , (sterk werkwoord, transitief en intransitief) , Zie de wdbb. Ook in de volgende opvattingen, die meest ook elders bekend zijn. – 1) Trans. Van zaad enz. Met een schop van plaats doen veranderen, verleggen, om het broeien of duf worden te voorkomen. || Die kas met lijnzeed moet verskoten worre. “Wanneer er geen wind is, wat doet gij dan (in een pelmolen)?” “Goed klaarmaken, verschepen en verschieten”, Arbeids-enquête (a° 1891), 860. 2) Trans. Verspringen, losschieten, uitschieten. || Die kap sal men maken van goede boomse kapravens ..., met syn behoorlijcke nock ende gordingen, dat die kap niet verschieten mach, daer in te wercken twee eycken spanten ter bequamer plaetsen ... met twee hanebalcken, Hs. bestek watermolen (a° 1634), archief v. Assendelft. 3) Trans. Doen schrikken. || Je moete me niet verskieten, hoor! Wel zo! is het nou zo aardig om een arm meisje, dat an d’r werk is, te verschieten, Bloem v. Zaandijk 28.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
verschieten  , verscheete , verscheet, verschüts, verschüt, verschoot, verscha , verschieten, verkleuren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
verschieten , veskeetn , werkwoord , mager en bleek worden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
verschieten , verschiête , verschieten, schrikken Ze verschoot héllemól toen z’m zâg Ze schrok toen ze hem zag.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
verschieten , verskiete , werkwoord , Ook: schrikken, doen schrikken. Letterlijk van kleur verschieten. | Ik verskoôt m’n oigen ’n hoedje. Je moete me niet verskiete, ’oor! Zegswijze deer zou je nag van verskiete, dat zou je nog lelijk tegenvallen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
verschieten , verschiete , werkwoord , schrikken. Ik verschoot eraf dè ’k d’n urste prèès ha gewònne. Ik schrok er van dat ik de eerste prijs had gewonnen. Zulle we dè mèdje es laote verschiete? Zullen we dat meisje eens laten schrikken?
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
verschieten , verschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , er schietend doorjagen Met aold jaor is er heelwat vuurwark verscheuten (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verschieten , verschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , verkopen beneden de prijs Hie hef veur dat hoes ok lang niet genog beurd; hie hef het gewoon verscheten (Oos), Je moet het laand niet verschieten (Rol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verschieten , verschieten , sterk werkwoord, overgankelijk , verschieten Toen as ze hum weer zag, verscheut heur de kleur (Mep), Hij verschoot van kleur (Bov), De ster, die verschöt (Sle), Det pak is op de scholders hielemaole verschèuten verkleurd (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verschieten , verschiéten , 1) verschrikken, (verschoot, verschoten); 2) verkleuren, van stof.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
verschieten , verskieten , verskîêten , (Kampen, Kamperveen) verschieten. Ook: verskîêten (Kampereiland)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verschieten , verschietn , verschieten, verbleken. ’t Jâssien is helemaole verscheutn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verschieten , verschiete , schrikken , Héij kan me toch verschiete, van ne niks is'sie ónderstenboove, dé's nie zó plezierreg. Hij kan me toch schrikken, om niets is hij helemaal in de war, dat is niet zo prettig.
Verleden tijd verschóót. Ik verschóót m'n aojge lamlaazeres. Ik schrok me een ongeluk. Ik schrok me wezenloos.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
verschieten , verschieten , werkwoord , 1. verschieten: schietend verbruiken 2. In z’n verkeerde keelgat krijgen, verslikken 3. van de ene plaats naar de andere schieten 4. snel van kleur veranderen, kleuren 5. vaal van kleur worden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verschieten , verschiete , werkwoord , verschiet, verschoot, verschoote , vergooien (door miskraam verliezen) Die koe heb gistre een kallef verschoote; Effe m’n ôôge verschiete Even een uiltje knappen, even een dutje doen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
verschieten , verschíéte , 1. verkleuren, van kleur veranderen; 2. verschrikken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
verschieten , verskie-te , schrikken
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
verschieten , verskieten , (werkwoord) , versköt, verskoot, versköten , verschieten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verschieten , verschiejte , schrikken, verschieten , Dôr verschiejt ik af. Daar schrik ik van.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
verschieten , verschiete , verskiete , werkwoord , schrikken (Land van Cuijk; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); verschiete; van kleur verbleken (Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); verskiete; schrikken (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland); verskiete; van kleur verbleken (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
verschieten , [verbleken] , versjete , 1. verbleken, van kleur verschieten 2. mis schieten , De gerdiene zeen versjoeate vanne zón.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
verschieten , verschiete , sterk werkwoord , verschiete - verschôot - verschoote , "Pierre van Beek - verschrikken; voorschieten; Pierre van Beek - Kundet verschiete? - kun je het voorschieten? Van verschiete worde lillek. (Tilburgse Taaklplastiek 176); N. Daamen, Handschrift 1916 - ""verschieten - verschrikken""; Henk van Rijen - 'veschiete'; WBD III.4.4:315 'verschieten' = idem (= verbleken, verkleuren); Goem. VERSCHIETEN – wkw - zijn poeder, geld, een kleur zal - ; ontstellen, zij verschoot ervan. A.P. de Bont - Dialekt van Kempenland - 1958 e.v. - st.ww. ‘verschieten’, transitief: vrees aanjagen, doen schrikken; intransitief a) (ver)schrikken, ontstellen, b) van kleur veranderen, verkleuren, verbleken. Z.a. J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - VERSCHIETEN, voor verschrikken; ook bij Kiliaen -  en Huygens. Z.a. K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - VERSCHIETEN - verschrikken. Zie Kiliaen -; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - VERSCHIETEN l) ov. ww - voorschieten; 2) onov. ww - van kleur veranderen, zijn kleur verliezen; 3) onov. ww - schrikken (en van kleur veranderen?): oew, ik verschoo:t toch. Henk van Rijen - ek gao èfkes men ôoge verschiete - ik ga even een dutje doen; WBD III.1.3.16 'verschoten' = versleten; ook 'kaal'; WBD III.1.4:293 'verschieten' = schrikken; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - VERSCHIETEN (met zijn en hebben) - plotseling ontstellen of ontroeren, 'tzij van verrassing of verwondering, 'tzij van vrees of angst; Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - verschiete ww - schrikken; A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - verschiete - schrikken = verschieten 'van kleur verbleken'; Bosch verschiete - een dutje doen; schrikken; verkleuren; WNT VERSCHIETEN (I) - 10) ontsteld doen raken van schrik; hevig schrikken; 11) terugschrikken, terugdeinzen voor iets afschrikwekkends; 13) opkijken van; 14) (van de gelaatskleur) snel, plotseling wegtrekken; enz. WNT deel XX II, kolom 25, betekenis 27) in de verbinding 'zijn oogen verschieten' = even inslapen, een licht kort slaapje doen."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut