elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verlies 

verlies , [het verliezen] , verlos , verlies. Ik verlies, ik verloor of verloos. Eng. loss.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
verlies , verlus , verluus, verlijs , verlus (Ommelanden) = verlijs (Oldampt, Westerwolde) = verluus (Stad-Groningsch, Goorecht) = verlies, Oostfriesch ferlü̂s, Hoogduitsch Verlust. Algemeen is: verlijzen (werkwoord en zelfstandig naamwoord) = verliezen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
verlies  , verluus , verlies.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
verlies , verlös , onzijdig , verlies
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
verlies , verluus , verlies, in zinnen als: d’r komt bie ’t verwaarken verluus op. In andere gevallen: verlais
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
verlies , verlies , verluus, verlös , het , verliezen , Var. als bij verliezen, daarnaast ook verluus (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën) en verlös (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = verlies Hie hef de koe verkocht met verlös (Zwin), Hie kan niet best over verlies tegen zijn verlies (Oos), Hij hef een groot verleis leden (Gie), Ik heb het wal een keer liggen zein, mar het is in het verluus kommen verloren geraakt (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verlies , verlies , verlies
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verlies , verlos , verlies. Ik mosse altied met verlos wârkn, zodoende bin ik achteruut eboerd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verlies , verlös , verlies , zelfstandig naamwoord , et 1. verlies (dat men lijdt) , het kwijtraken 2. dat wat men kwijtraakt, nadeel, schade
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verlies , verluu~s , verlies
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut