elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verkleden 

verkleden  , verkleie , maskeeren, costumeeren.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
verkleden , verklien , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. verkleden Ze mussen zuk achter het toneel verkleiden (Erf) 2. afleggen van een gestorvene (Zuidwest-Drenthe) Vrogger muusen de buurvrouwen het liek verkleden (Hav), De naobers kwamen te verkleen (Wap), De naoste buren gungen hen verkleden en ’s aovends worde het liek ien de kiste legd (Rui), z. ook ofleggen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verkleden , verklieden , verkleden , werkwoord , 1. andere kleren aandoen, met name schone kleren of nette kleding voor een bijzondere gelegenheid 2. vermommen (in een bep. kostuum) 3. een overledene afleggen, wassen, ontkleden en met een doodsgewaad bekleden
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verkleden , verklejen , (werkwoord) , verklejen, verkleed , 1. verkleden, vermommen; 2. omkleden, andere kleren aandoen. Zie ook: ummetrekken, ummeklejen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verkleden , verkleie , verkleden
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut