elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verjaren 

verjaren  , verjööre , jarig zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
verjaren , verjaore , verjaorde, verjèùrd , a/ verjaren, verjaarden, verjaard, b/ jarig zijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
verjaren , verjaoren , verjaorden , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook verjaorden = 1. verjaren Daor kuuj niks meer an doon, dat is al verjaord (Hav), IJ moet oppassen daj die overweg niet verjaorden laot recht van overweg (Sle), Olde schulden betaal ik niet en neie laot ik verjaoren (Ruw) 2. jarig zijn Doe verjaorst mörgen, is het niet zo? (Gie), Ze verjaorden op dezölfde dag (Dal)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verjaren , [jarig zijn, niet meer van kracht zijn] , verjoren , verjaren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
verjaren , verjaord , verjaard.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
verjaren , verjaore , jarig zijn , Ik héb alzelèève gàère strûif gehad, nouw bak ik ze vur de kléénkénder és ze verjaore. Ik heb altijd graag pannenkoek gehad, nu bak ik ze voor de kleinkinderen als ze jarig zijn.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
verjaren , verjaoren , werkwoord , verjaren: vervallen doordat iets te lang duurt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verjaren , verjaere , werkwoord , verjaer, verjaerde, verjaerd , 1. jarig zijn Je verjaer’ vandaeg; nou gefilisteerd! 2. verjaren (bijv. straf)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
verjaren , verjoore , verjaren
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
verjaren , verjören , (werkwoord) , verjören, verjöörd , 1. verjaren, niet meer geldig zijn; 2. zijn/haar verjaardag vieren.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verjaren , verjaore , verjeure , werkwoord , jarig zijn (Helmond en Peelland; West-Brabant); verjeure; jarig zijn (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
verjaren , [jarig zijn] , verjaore , verjaortj, verjaordje, verjaordj , 1. jarig zijn 2. verjaren
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
verjaren , verjaore , zwak werkwoord , verjaore - verjaorde – verjaord , jarig zijn; verjaren; (geen vocaalkrimping)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
verjaren , verjäöre , verjaren
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut