elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vergis 

vergis , [dwaling] , vergis , vegis , (zelfstandig naamwoord) , Vergissing. Bî vergis; ʼt was ʼn vergis.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
vergis  , verges , (klem op de tweede E) , ik vergis mij, pardon.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vergis , vergis , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze bai vergis, per vergissing (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vergis , vergis , vergissing * bie vergis: door vergissing.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
vergis , vergis , de , vergissing Hij stak het duusien lucifers bij vergis in de buus per abuis (Sle), Dat moej mij mor niet kwalijk nimmen, dat was een vergis (Hijk), Dat is per vergis zo gebeurd (And), Die hadde mien klompen deur vergis an etrökken (Ker)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
vergis , vergis , zelfstandig naamwoord , et; het vergissen, vergissing
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut