elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verdrogen 

verdrogen , verdreugen , (verdrogen; wederkeerend) = droge kleeren aantrekken; ook = de kleeren zijn mij aan ’t lijf gedroogd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
verdrogen  , verdruëge , verdroogen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
verdrogen , verdrouge , werkwoord , Ook: een droge, schone luier aandoen (verouderd) | Ik moet efkes de pop verdrouge.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
verdrogen , verdruuëge , 1) minder melk gaan geven wegens drachtigheid; 2) van de leg afraken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
verdrogen , verdreung , verdreung, verdreugd , verdrogen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
verdrogen , verdreugen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. verdrogen As er niet gauw règen komp, verdreugt oes alles (Ruw), De erpel zit verdreugd in de grond (Zwin) 2. schone luier omdoen (Zuidwest-Drenthe, zuid) Het kiend lösmaken um het te verdreugen (Eli), Aj moeder heurt, dan hef ze zowat hiel Barkenheide verdreugd (ui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verdrogen , verdreugen , verdrogen. ’t moet noddig wir ’s regenen, alles stè te verdreugen, het moet nodig regenen, want alles verdroogt.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
verdrogen , verdreugen , verdrogen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
verdrogen , verdréúge , verdrogen , És't nie rèègent dan zal hil d’n ókst verdréúge, dan zén we'r gaauw meej klaor. Als het niet regent dan zal de hele oogst verdrogen, dan zijn we er vlug mee weg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
verdrogen , verdreugen , verdrugen , werkwoord , 1. verdrogen, uitdrogen 2. een schone luier geven
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
verdrogen , verdrôôge , werkwoord , verdrôôg, verdrôôgde, verdrôôgd , verdrogen De blomme staon te verdrôôge
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
verdrogen , verdruuwege , verdrogen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
verdrogen , verdreugen , (werkwoord) , verdreugen, verdreugd , verdrogen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
verdrogen , verdreuge , verdrogen , We hén hard reegen nòddig, alle gewas verdreugt. We hebben hard regen nodig, alle gewas verdroogt.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut