elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: verbroddelen 

verbroddelen , verbruddêln , verbroddelen, verkerven. Synoniem met: verpeutêrn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
verbroddelen  , verbroeddele , verknoeien.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
verbroddelen , verbröddeln , verbroddeln, verbruddeln, verbrobbeln , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Veenkoloniën). Ook verbroddeln (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord), verbruddeln (Veenkoloniën), verbrobbeln (Kop van Drenthe) = verknoeien Ik hebbe de bool verbroddeld (Die), Zai het het braaien verbroddeld (Rod)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
verbroddelen , [verknoeien] , verbróddele , verknoeien , Ei verbróddeldj breiwerkske.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut