elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: vaar

vaar , vaar , (bijvoeglijk naamwoord) , geld, gust, niet vruchtdragend. Eene vare koe, hij heeft zijn koeien vaar gehouden, d.i: ze niet laten rijden.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
vaar , vaar , (bijvoeglijk naamwoord) , Van vrouwelijk vee. Onbevrucht, gust; hetz. als geld (II). || Een vare koe. Ik heb me koeien vaar ’ehouwe (niet laten rijden). – Ook elders gebruikelijk.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
vaar , vaar , schommel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
vaar , vaar , bijvoeglijk naamwoord , Niet drachtig. | ’n Vare koe.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
vaar , vaer , bijvoeglijk naamwoord , [O] niet drachtig Een vaere koe Een guste koe
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
vaar , vaor , zelfstandig naamwoord , WBD zweren (bep. paardenziekte). In Berns, Namen voor ziekten van het vee (Amsterdam, 1983) op pag. 195 als benaming voor ‘gezwollen tandvlees’.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut