elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uittellen 

uittellen  , oettelle , uitrekenen, ook iemand iets voortellen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uittellen , oettellen , zwak werkwoord, overgankelijk , uittellen Ik heb het geld al veur je oetteld (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uittellen , uuttellen , werkwoord , 1. uittellen: ten einde tellen 2. in uutteld wezen bijna bevallen, ook: niet meer in aanzien zijn, geen mogelijkheden meer hebben, door vermoeidheid niks meer kunnen 3. betalen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uittellen , [uittellen] , oettèlle , uittellen , Det kóns se op dien tieën vingers oettèlle det dao niks van kumtj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
uittellen , öttèlle , zwak werkwoord , öttèlle - tèlde èùt - ötgetèld , uittellen; WBD ötgetèld - (gezegd van een koe) het einde v. d. draagtijd bereikt hebbend; ook 'ötgereekend' genoemd, ofwel 'òn de telling', 'òn de baot'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut