elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitpoetsen 

uitpoetsen  , oetpoetse , uitpoetse , uitpoetsen, ook uitkafferen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uitpoetsen , uitpoese , werkwoord , 1. Uitpoetsen. | Wul je effies m’n skoene uitpoese. 2. Uitvlakken. | Dat moet je niet uitpoese.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
uitpoetsen , oetpoetsen , zwak werkwoord, overgankelijk , uitpoetsen Verget niet die leren tas oet te poetsen (Pdh), Nao het inwrieven moej de schoenen uutpoetsen (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uitpoetsen , uutpoetsen , werkwoord , 1. uitpoetsen: m.b.t. schoenen 2. uitvlakken, te gering achten, in verb. als Poets ’m niet uut, hou hem in de gaten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitpoetsen , ötpoetse , zwak werkwoord , ötpoetse - poetste(n) èùt - ötgepoetst , uitpoetsen; WBD uitpoetsen: het met diverse uitpoetspreparaten bewerken van schoenen (II:783)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut