elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitmaken 

uitmaken , oetmoaken , in: ’t moakt nijt oet = ’t verschil is hoogst gering, wij zullen over die kleinigheid heenstappen. – dat moakt eerst ’n kerel oet = daardoor toont gij eerst recht dat gij een man zijt; meestal schertsend, en synoniem met: da’s kerelachtig. Zie ook: oetmōddêrn.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uitmaken  , oetmake , uitdooven, beslechten, ook een verloving afbreken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uitmaken , uitmake , werkwoord , in de zegswijze ’t uitmake, de vriendschap of verkering verbreken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
uitmaken , uutmaeken , maeken uut, uut emaekt (emäk) , uitmaken.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
uitmaken , oetmaken , sterk, zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. uitmaken, bepalen Dat zal ik wel uutmaken, wat goed is en wat niet (Hol) 2. uitmaken, doven De kwaojonges moet mörgen het paosvuur nog mor ies goed oetmaken (Sti), (fig.) Oes wicht hef de verkering oetmaokt (Gas) 3. uitschelden Hij hef hum aoveral veur oetmaakt (Nsch) 4. schoonmaken van sloten (niet Zuidwest-Drenthe) Tegen november moej de sloot oetmaken (Nor) 5. kunnen schelen Het mak mij niks uut (Flu) 6. uithalen, rooien Wij hebt er vandaog hiel wat erpels oetmaokt (Schl) 7. uitnemen van vet (Oost-Drenthe) Mien moe is an het schierschonen, het is an het pens oetmaken (Emm), Vet oetmaken (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uitmaken , uutmaken , 1. uitmaken; 2. verbreken van een verkering of verloving
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
uitmaken , uutmaeken , werkwoord , 1. uitmaken: beëindigen, i.h.b. van een relatie 2. doven, blussen 3. van sloten enz.: uitdiepen, reinigen 4. te betekenen hebben, beduiden 5. vaststellen, bepalen 6. uitschelden, in uutmaeken (veur)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitmaken , oetmake , 1. uitmaken 2. uitschelden , Det is ein oetgemaakdje zaak. ’t Oetmake: de relatie verbreken.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
uitmaken , ötmaoke , zwak werkwoord , uitmaken; Henk van Rijen: wè maoket ööt, dèttiet ötmòkt - wat maakt het uit dat hij het uitmaakt; . . . , dè hij et ötmokt - . . . hij beslist; WBD III. 1. 4:317 'uitmaken' = ten einde brengen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut