elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uithollen 

uithollen , oetholen , voor: uithollen, in ’t Nederlandsch verouderd Zie Gr. Wbk. art. onderholen, alsmede: hole.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uithollen  , oethööle , uithollen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uithollen , ûtheule , uithollen , Ge moet die mangelpeej ûtheule, dan kun'der 'n kaorske inzètte vur saoves laot. Je moet die biet uithollen, dan kun je er een kaarsje inzetten voor 's avonds laat.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
uithollen , uuthollen , werkwoord , 1. uithollen: hol maken, een uitholling maken 2. holler maken, uitdunnen, uitkappen: bijv. van een houtwal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uithollen , ùìjtheule , uithollen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
uithollen , uutollen , (werkwoord) , ollen uut, uute-old , uithollen. Een kallebaster uutollen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uithollen , uuthäölen , uithollen (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
uithollen , uitölleke , werkwoord , uithollen (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut