elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uithoek 

uithoek  , oethook , uithoek.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uithoek , oethoek , de, het , uithoek Hij woont op het oethouk van het dorp de uiterste punt (Bov), Die boer woont door in een raore oethoek afgelegen oord (Eke), Hoe hew ze kunnen vienden in die uuthoek! (Nije)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uithoek , uuthoeke , uuthoek , zelfstandig naamwoord , de; uithoek: afgelegen plaats, gebied, plek die nogal ver van de bewoonde wereld is, die uit de route ligt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uithoek , [uithoek] , oethook , (mannelijk) , uithoek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
Uithoek , Uythoeck , ze motte je naar d’n Uythoeck brenge! ze kunnen je beter wegbrengen! D’n Uythoeck is een verbastering van Puttock. De Putoxtoren was een vermaarde toren in het bolwerk aan het Groothoofd
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
uithoek , öthoek , zelfstandig naamwoord , WBD III. 3. 1:318 'uithoek' = gehucht
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut