elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uiterlijk 

uiterlijk , uiterlijk , (bijvoeglijk naamwoord en bijwoord) , Zie de wdbb. – Ook in de zin van uiterst. || Nou, hij heb dat land ok niet zo uiterlijk goekoop. 14 Ditto hadde een seer harde storm uyten uyt(e)rlijk Weste en maeckte hoogh water, Journ. Caeskoper. – Evenzo Mnl. uterlike.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
uiterlijk  , uuterlik , uiterlijk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uiterlijk , oeterlijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Var. als bij oet = 1. de buitenkant betreffend Oeterlijk kuj der niks an marken (Coe), De wichter tegenwoordig bint oeterlijk knapper as vroeger (Emm), Oeterlijk is der niet veul veraanderd (Hoh) 2. ten laatste Je moet uterlijk op de lesten van de maond betaolen (Ass), Uterlijk nei weke kome wij (Dwi), Uterlijk om 10 uur der weer wezen! (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uiterlijk , oeterlijk , het , Var. als bij oet = uiterlijk Zien oeterlijk staait mie nich an (Bco), Ie moet niet altied op het uterlijk letten (Dwi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uiterlijk , ûiterlek , uiterlijk , És ge de naom héd nen bók te zén dan zul'de ûiterlek wél bókkeg ooverkomme. Als je de naam hebt een bok te zijn dan zal je uiterlijk wel koppig overkomen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
uiterlijk , uterlik , bijwoord , 1. voor het oog 2. op z’n laatst
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uiterlijk , uterlik , zelfstandig naamwoord , et 1. iemands uiterlijk, voorkomen 2. wijze waarop iets zichtbaar is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uiterlijk , uterlijk , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord) , uiterlijk.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uiterlijk , [voorkomen] , oeterlik , uterlik , (onzijdig) , uiterlijk, voorkomen, schijn , Doe mós neet altied op ’t oeterlik/uterlik van emes aafgaon.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
uiterlijk , [op zijn laatst] , oeterlik , uterlik , uiterlijk, op zijn laatst
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
uiterlijk , uterlik , uiterlijk
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut