elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitduiden 

uitduiden  , oetdüje , duidelijk maken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uitduiden , oetduun , werkwoord , duidelijk maken
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
uitduiden , uutduîje , uitleggen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
uitduiden , uutduun , duun uut, uut eduud , uitduiden, uitleggen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
uitduiden , oetduun , sterk werkwoord, overgankelijk , uitleggen Ik wol hum de weg wiezen, maor ik kun het hum niet uutduden (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uitduiden , uutduden , uutdûûn , uitduiden. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: uutdûûn
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
uitduiden , uutduun , duidelijk maken. Ik zal ’t oe uutduun, hoej der ’t gauwste kunt komm.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
uitduiden , uutduden , werkwoord , uitduiden, aanwijzen, uitleggen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitduiden , uitduie , werkwoord , dui uit, duide uit uicheduid , omschrijven, uitleggen, duidelijk maken Ik zellet je wel is uitduie waer ’t is Ik zal je wel uitleggen waar het is
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
uitduiden , uutbeduden , zie: uutduden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uitduiden , uutduden , uutdujen , (werkwoord) , uitduiden. Zie ook: uutbeduden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uitduiden , uitduije , uitleggen
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
uitduiden , uutduutsen , duidelijk maken (O.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
uitduiden , ötduije , zwak werkwoord , "vB verklaren, uitleggen; Van Delft - ""'k Heb 'm uitgeduid, wa'k wó."" 'k Heb hem uiteengezet en verklaard, wat ik wenschte. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 111; 27 april 1929); – contaminatie van 'beduiden' en 'uitleggen' (Tilburgse Taaklplastiek 126); WBD III. 3. 1:271 'uitduiden' = verklaren"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut