elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: uitdoen 

uitdoen , uitdoen , (werkwoord) , uitwerpen. , Gij moet die boomen - . Onze aardappelen zijn al uit (of uitgedaan).
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
uitdoen , oetdoen , uutdoen  , 1. verhuren. Gron. oetdoun, nl. van geld lenen, op rente zetten; land ten halven oetdoun = voor de helft der vruchten verhuren. Bij Hooft: uitdoen = geld schieten, leenen. leenen; geld uutdoen = uitzetten op interest, Gron. geld oetdoun = op rente doen; Hooft uitdoen = geld schieten, leenen. Oosfr. ûtdôn = uitgeven, betalen. 2. verhuren, van land: Gron.: land ten halven oetdoun = (bouw)land voor de helft der opbrengst ten gebruike afstaan, nl. voor een bepaalden tijd.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
uitdoen , oetdoun , uutdoun , van geld = geld op rente uitzetten, ook Drentsch: land ten halven oetdoun = land, inzonderheid bouwland, ten gebruike afstaan voor de helft der opbrengst. Hooft: uitdoen = geld schieten, leenen. Zie ten Doornk. art. ûtdôn.
uutdoun (Goorecht) = oetdoun = uitdoen; ’t licht uutdoun = de lamp uitblazen; geld op intrest uutdoun = geld op rente uitzetten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
uitdoen  , oetdoon , rooien (aardappelen).
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
uitdoen , ütdouen , hypotheek geven
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
uitdoen , oetdoon , werkwoord , schrappen als schuldenaar
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
uitdoen , uitdoen , werkwoord , Ook: 1. Voordelig zijn bij uitdelen, inschenken e.d. | ’t Loikt ’n kloin potje, maar hai doet echt wel pittig uit. 2. Schoonmaak houden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
uitdoen , utjdoeë , aardappels rooien in het algemeen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
uitdoen , uutdoon , 1. doorhalen van een openstaande rekening. 2. uitdoen, doven. 3. uittrekken van een kledingstuk.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
uitdoen , uutduun , uitleggen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
uitdoen , uutdoen , deud uut, uut edoane , 1. doorhalen van een rekening; 2. uitdoen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
uitdoen , oetdoen , sterk werkwoord, overgankelijk , 1. uitdoen Aj weggaot moej de laamp oetdoen (Dro) 2. uittrekken Doe huifs de hölschen nich oet te doun (Nsch) 3. doorstrepen Uut dei verainiging magst mie wel uutdoun (Vtm), Ik möt hen ’t gemientehoes hen oetdoen een sterfgeval aangeven (Pdh) 4. verhuren van land of uitzetten van geld (wp) 5. waarde hechten aan Daor ken je ook nait veul op uutdoun (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
uitdoen , uitdoen , eruit halen, rooien. ze zèn de èlper aon’t uitdoen, ze zijn de aardappels aan het rooien.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
uitdoen , uutdoen , 1. afschrijven, doorhalen, bijv. in een kasboek. 2. uitdoen van een jas of ander kledingstuk. 3. kaars of licht uitdoen. 4. aangeven bij de Burgerlijke Stand van ’t overlijden van iemand. Uutdoen was vrogger buurnplich.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
uitdoen , uutdoen , werkwoord , 1. uitdoen: uittrekken 2. uitdraaien, doven enz. 3. buiten plaatsen, naar buitenlatenkomenzodathetopvalt 4. schrappen, doorstrepen 5. begrijpen, serieus nemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
uitdoen , ùìjtdoen , rooien
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
uitdoen , uutdoen , (werkwoord) , uitdoen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
uitdoen , uitdoewn , rooien, uitdoen , Èrpel uitdoewn. Aardappelen rooien.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
uitdoen , uutdoen , 1. geld op de bank zetten; 2. verkopen, wegdoen (van vee).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
uitdoen , [doven ] , oetdoon , 1. uitdoen, doven 2. uitkleden 3. oogsten, rooien 4. zich van zijn bezittingen ontdoen , ’t Leech(t) oetdoon.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
uitdoen , ötdoen , sterk werkwoord , ötdoen - di èùt - ötgedaon , uitdoen, doven, uitweiden, rooien van gewas; (zie: doen); Op den oogenblik zen we druk bezig mee gruunplukken en mangelpeejen utdoen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 3; 23-10-1929); WBD (van koeien) naar de wei brengen; WBD (III. 2. 1:214) 'uitdoen', blussen = doven; A.P. de Bont: onr. ww. tr. - uitdoen, in versch. opvattingen, zoals 1) een schuld doorhalen, 2) aardappels rooien, 3) koeien uit de stal brengen, 4) mest uit de potstal verwijderen. Antw. UITDOEN - ten einde doen, voltrekken; de(n) stal uitdoen - het mest uit den stal trekken. Eindigen: De meester héet de school vandaag 'en half uur eer uitgedaan.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
uitdoen , oe~tdaon , deej oe~t – oe~tgedaon , rooien
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut