elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuiten 

tuiten , [drinken] , tuten , tuteren , (werkwoord) , pooiën, drinken. Beide worden weinig gehoord.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tuiten , toeten , blazen; d’r us heur vaste wat in d’ooren toet = haar is zeker iets (ten uwen nadeele) in ’t oor geblazen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
tuiten , tûten , (zwak werkwoord) , blazen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tuiten , toeten , tuiten; de ooren toeten mie, schertsend zooveel als: er wordt over mij gesproken. Alsdan wordt er gevraagd: toet joe ’t (of: die ’t) in ’t rechter- of in ’t linkeroor? In het eerste geval spreekt men goed, in het andere kwaad van ons. Ook aldus in West-Vlaanderen. Zegt men: hebben joe de ooren nijt toet? dan ligt daarin opgesloten: wij hebben, of: er is druk over u gepraat. – Ook = een toet (tuit) vormen.Vgl. Laurill. bl. 97; toeten (Woltersum) = schreien; ook = bulken of loeien van een rund.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuiten , túten , (werkwoord), op de Friesche grens = kussen, en ook zelfstandig naamwoord, meervoud van kus, en tuut 1, tuut 2. Zoo hoort men, en dit is veel meer algemeen, tegen kleine kinderen: geef mie ʼn tuus, tuuske, tuutje, tus, kuske, geef mij een kusje. Friesch tuutsjen, Stadsfriesch tuten; Zeeland toet, tuit = mond; West-Vlaamsch toot, en: tootje = kus, en: kusje. Oostfriesch tuutje; tütjen = kussen. Vgl. doetjen, en: bekje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuiten , doetjen , doeten, tuten , (Friesche grens) = kussen, in de kindertaal tusen, doeien en doeten; de moeder bv. kust haar lieveling en zegt: doei doei doei! Drentsch doeken = kussen, liefkoozen, troetelen (vgl. andoeken); Oostfriesch tütjen, Nedersaksisch dütjen, düten = kussen, zoenen. – Smōkken, en: Smōk, bijvormen van: smakken, en: smak, zijn klanknabootsend; tuten, en: doetjen kunnen komen van het Angel-Saksische duhan = drukken; van een’ dikken zoen zegt men althans: dat was ’n dikke drukker, of: drōkker. “as ’t weer komste krigst ’n dikke drōkkert.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuiten , tuiten , (zwak werkwoord, intransitief) , Gewoonlijk in de vorm tuten. Suizen, ruisen, van de oren. Zie de wdbb. || Me oren tuten. Zen oren zellen tuten (gezegd als er goed (of kwaad) van iemand gesproken wordt; vgl. SCHELTEMA, Mengelw. IV2, 146). – Vgl. tuit I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuiten , tuten , (zwak werkwoord) , zie tuiten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tuiten  , toete , zanikken, ook tuiten. Mien oere toete, mijn ooren tuiten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
tuiten , tute , werkwoord , Variant van tuiten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
tuiten , toe:te , suizen; min òrre toe:te “mijn oren tuiten”; geluid dat de koninginnen maken die hun cel reeds verlaten hebben.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
tuiten , toeten , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. tuiten As een ander over je roddelt, dan toet je de oren (Sle) 2. huilen Hol ies op te toeten (Nije)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuiten , toeten , tuiten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tuiten , toetn , loeien van een koe, tuiten. Wat stiet die koe an ’t hekke te toetn. De oorn zult ’m wel ’s toetn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tuiten , toete , tuiten , M'n órre die begiene te toete, zé toch's éfkes stil, anders wor ik nog zot. Mijn oren die beginnen te tuiten, ben toch eens even stil, ik word er nog gek van.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
tuiten , tuten , werkwoord , 1. kussen, zoenen 2. aansteken met een brandende sigaret 3. een bep. geluid produceren door bijenkoninginnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tuiten , tuiten , (in)schenken, (in)gieten (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tuiten , toete , toetj, toetdje, getoetj , suizen , Dao zulle ’m de oeare waal van toete: wordt gezegd als er over iemand geroddeld wordt. De oeare toete mich.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut