elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tuimel 

tuimel , tumel , (tuimel) = tuimeling in fig. beteekenis; ʼn tumel holʼn = een mispas houden, zich te buiten gaan en opspraak verwekken. Vgl. ʼt Hoogduitsche Taumel = tuimeling door bedwelming of dronkenschap. – Ook = hinderpaal, tegenwerking: dʼr is ʼn tumel in komen = er is iets in den weg getreden dat de uitvoering, althans vooreerst, belet of waardoor eene geheele verandering in het plan is gekomen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tuimel  , toemmel , overdrukte van werk.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
tuimel , toemel , m , gedoe.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
tuimel , toemel , drukte, gedój, geplaar.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
tuimel , tumel , de , tumels , (Zuidwest-Drenthe, noord) = kleine stok bij het tiepeln, z. ook tul
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tuimel , tumel , soort mandje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
tuimel , [drukte] , toemel , (mannelijk) , drukte, bedoening , Door al daen toemel bèn ich det vergaete.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
tuimel , toe~mel , kopzorgen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut