elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trut 

trut , trutje , (onzijdig) , trutjes , truntel. Het is een trutje, een weinig beduidend schepsel dat noch lust, nog overleg bezit iets goeds voort te brengen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
trut , trüt , zie memmetrüt.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
trut , trut , trutte , spottenderwijs voor een vrouwspersoon dat niet meer mee kan doen, dat zich bv. wonderlijk opschikt, stijf en houterig is, enz., en dan stieve trutte heet. Ook zegt men van eene zwaarlijvige vrouw: daʼs ʼn trutte; van eene oude, dikke vrouw die daarheen sjokt: olle trutte. – van Ankum: trud, bekrompene, sulachtige vrouw. – Oostfriesch trut, trût = dom, wonderlijk, gek vrouwspersoon; Zuid-Nederlandsch trutte, trunte = vrouw of meisje, in verachtelijken zin, eene dwaze, leelijke, gemeene, vuile, eerlooze trutte; West-Vlaamsch trutte; vrouw of dochter in een verachtelijken zin. Eene dwaze trutte. Eene leelijke, slechte, vuile, eerlooze trutte; Te Maastricht = dom, traag vrouwmensch, in Brabant en elders sutteken, sukkelares. (De Bo) Engelsch drudge = sloover, zwoeger. Zie ook: boerenanje, en vgl. droetgad.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
trut , trut , (zelfstandig naamwoord mannelijk en vrouwelijk) , Dreutel, teut; iemand die niet opschiet met zijn werk; inzonderheid van vrouwen. || Wat ben-je toch ’en trut: je komme niet vooruit. ’t Is ’en trutje (een goedig, maar weinig begaafd mensje, een sukkeltje). – Evenzo in geheel N.-Holl. (BOUMAN 108). Ook in Gron., Oost-Friesl. en W.-Vlaand. is het woord als minachtende benaming voor een vrouw in gebruik (zie MOLEMA 432; KOOLMAN 3, 440; DE BO² 1032). – Vgl. trutten, truttig, alsmede memmetrut.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
trut  , trut , vervelende kerel of vrouw.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
trut , trut , v , ouderwetse vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
trut , trut , zelfstandig naamwoord de , 1. Treuzelaar, laks persoon. 2. Ouderwets, stijf, saai vrouwspersoon. 3. Vrouwelijk schaamdeel. Zegswijze trut van Keulen, aanduiding voor een laks (vrouws)-persoon (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
trut , trut , trutte , de , trutten , Ook trutte (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = negatieve aanduiding van een vrouwspersoon Wat een stieve trut is dat! ouderwets (Eco), Wat een wieze trut! (Een), Een trut is een verwaand wicht (Nsch), ...een eigenwies ding (Klv), Een trutte valt op deur niet met te doen, mar een eigenwieze trutte stelt zichzolf wel wat baoven heur omgeving (Ker), Een sik is een trut van een wief (Zey), Een trutte is gien schoonheid (Dwi), Ik vin het een dikke trut, dat wicht (Eex), Een trut is wat onbeholpen en ok wat olderwets antrokken (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
trut , trutte , trut , zelfstandig naamwoord , de 1. eigenwijs meisje, eigenwijze vrouw 2. zoetsappig of enigszins manziek meisje of vrouw 3. onnozel of onhandig meisje of vrouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trut , trut , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.4:35 'trut', 'truttebees' = domme vrouw; WBD III.1.4:152 'trut' = domme trage vrouw
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut