elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: troosten 

troosten , [geestelijk steun geven] , troosten , (zwak werkwoord) , troosten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
troosten , troosten , (zelfstandig naamwoord) , ww. Zie de wdbb. – De bruid troosten of bruidstroosting, eertijds als benaming van een der feestelijkheden bij een huwelijk. Thans verouderd. || Alsoo bevonden wert datter veel misbruycken werden gedaen, soo in ’t troosten van Bruyt en Bruydegoms, die daer ongenoodight komen, ende veel overdaet bedrijven, als mede van eenige Bruyts te schatten, ende den Bruydegom alsoo gelt af te dringen ende knevelen, met grote ongeregeltheden, en op Bruyloften ongenoot komen, ’t welck niet en behoort … Soo hebben Schout ende Schepenen … geordonneert … Dat van nu voortaen hem niemant sal vervordere op eenige Bruytstroostinge, of troost-malen ongenoot te komen, op peene van de hooghste boeten (keur v. Oostzanen), (a° 1637), LAMS 727.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
troosten  , trüëste , troosten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
troosten , truesn , werkwoord, zwak , troosten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
troosten , troosten , treusten , zwak werkwoord, overgankelijk , Ook treusten (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = troosten Ik heb het mèensk wat troost; het was zo verdreitig (Oos), Ik musse mij treusten mit een tweedehaandse (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
troosten , treusten , tròsten , troosten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
troosten , trôste , troosten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
troosten , treusten , (werkwoord) , treus(t)en, etreust , troosten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
troosten , troeaste , truueste , troeastj, troeasdje, getroeastj , troosten, zie ook truueste
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
troosten , troeëste , troeësde – getroeës , troosten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut