elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: treuzelen 

treuzelen , treuzelen , "voor traaglijk iets verrigten. Bij Kiliaan vind ik trantselen; trenselen. Bij Meijer, verv. woord is trenselen, trantselen, fatselen, luijelijk zijn
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
treuzelen , treuzelen , (zwak werkwoord) , vgl. aftreuzelen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
treuzelen  , treuzele , talmen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
treuzelen , treuzeln , truzeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , Ook truzeln (Zuidoost-Drents zandgebied) = treuzelen Hie treuzelt wat in ’t ronde, mor schöt niks op (Sle), Schiet op, niet zo treuzeln! (Ker), Nou moej niet aal zo treuzeln underwegens (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut