elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: treden 

treden , trèën , (sterk werkwoord) , treden.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
treden , treden , treeën , door schreden van ongeveer één meter te doen de lengte van iets bepalen; ik heb dei sloot treedt = op die wijze de lengte gemeten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
treden , dirtjen , zie: stirtjen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
treden  , traeie , werkwoord , traei, traeis, traeit, trooi, getraoje , treden. Getraoje zien, gepikeerd zijn.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
treden , träân, trääden , [trǣñ] , treden, stappen. iörgel [ĭœrgәl] träân: orgel trappen. Ook: lopen: wi hebt våndääge heel wat åfeträd. Zie ook: åfträân. Üt berre träân: uit bed stappen. Met het verkeerde bein üt berre träân.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
treden , trean , werkwoord, sterk , 2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: treat, 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: t , 1 treden, 2 met passen afmeten, 3 paren, van vogels. Hee kan dr trean, hij hoeft niet te werken; trean as nen stootrs haann, verwaand rondlopen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
treden , tréêje , traôj, getraôje , treden, trad, getreden; traoj trad of trapte Héj traoj d’r in mi zien grof peût. Hij trad of trapte er in met zijn grote voeten.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
treden , treden , 1. het “werk” van een haan. 2. met gestrekte passen de lengte (ten naasten bij) van iets bepalen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
treden , trede , werkwoord , Zie oftrede en uittrede.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
treden , traeje , mitte veut âfmaete.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
treden , trééje , 1) afmeten van de akker al stappend, voordat men gaat ploegen; 2) deeg kneden met de voeten, bijv. voor roggebrood.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
treden , trèèn , trèèn, etrène , treden.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
treden , treen , trèen, treden , sterk werkwoord, (on)overgankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook trèen (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), treden (Noord-Drenthe, Zuid-Drenthe) = 1. treden De huiner wordt trèen deur de hane (Nsch), Hoe vake zul zo’n hane per dag wel treen? (Ker), Die hane wil merakel treden (Coe) 2. trappen Boekweit treen (Sle, veroud.), z. ook trappen 3. lopen, in *Die langzem et, die langzem tredt (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
treden , trejen , lopen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
treden , trèèn , bevruchten (kip).
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
treden , treeje , lopen, wandelen, trappen, beledigen , Moet'te de die zien treeje. Moet je die meid zien lopen. Zij heeft er een stevige tred in.
Ik gôj nog 'n éijndje treeje, ik bliif nie zó hiil lang wèg, ik maok 'n kléén rundje. Ik ga een eindje wandelen, ik blijf niet zo heel lang weg, ik maak een klein rondje.
És ge oover d’n duuvel prôt, tree’dem óp zunne start. Als je over de duivel praat, trap je hem op zijn staart. Iemand komt binnen, terwijl men net over hem sprak.
Voltooid deelwoord getrójje. Ze hébbe iet van'nem gezeed én nouw is'sie zwaor getrójje, héij is gloejeg. Men heeft iets van hem gezegd en nu voelt hij zich zwaar beledigd, hij is witheet.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
treden , treden , trederen , werkwoord , 1. met flinke stappen lopen 2. (door mannelijke vogels) paren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
treden , treeje , werkwoord , tree, trad, getreeje , paren van vogels, kikkers, e.d. Zie ook hanetree
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
treden , tréíje , lopen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
treden , trejen , (werkwoord) , treejt/tred, trad, etrejen , treden.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
treden , trèèje , treeje , trój, getrójje , treden , Schùlleke trèèje. Over schollen lopen., Óp de vurgrónd treeje. Op de voorgrond treden., Getrójje zén. Beledigd zijn.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
treden , traeje , ich traej, du treuts, hae treutj, wae traeje, g , 1. trappen, treden 2. gepikeerd zijn 3. globaal meten door aantal passen te tellen 4. met voeten afmeten wie mocht beginnen met kiezen van wedstrijdploegen 5. het dekken van kippen door hanen 6. dansen (spottend over iemand die niet kon dansen) , Traej mich neet oppe tieën.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
treden , treeje , sterk werkwoord , treden; WBD aftreeje - land aftreden (on de grootte ervan vast te stellen; WBD III.1.2:151 'treden' = met grote stappen lopen'; WBD III.4.4:292 'treden' = afpassen, ook 'afstappen'; B treeje - trój - getróje; Dirk Boutkan (1996) treeje - traad - getreeje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
treden , traeje , traoj/trooj – getraoje , treden; trappen (op fiets); fietsen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut