elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trede 

trede , trè , (vrouwelijk) , trèn , trede.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
trede  , traei , trede.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
trede , trea , zelfstandig naamwoord, mannelijk , trean , treakn , trede
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
trede , tréêj , m , stap; traptrede. D’n ursten optréêj. De eerste traptrede.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
trede , treed , zelfstandig naamwoord de , Trede, stap. | Hai kwam gien treed ve(e)rder.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
trede , trej , trede.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
trede , trééj , pas, stap, het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
trede , treej , zelfstandig naamwoord , trede, stap. 1. Aftreeje is met stappen van ongeveer een meter terouwste (zie aldaar) de lengte of afstand bepalen. 2. Ge moet ’r ’s ’ne treej bèdoen. Loop wat beter door. Ook: iets steviger aanpakken.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
trede , treej , 1) traptrede; 2) stap.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
trede , tree , treen (Kampen), trees (Kampereiland, Kamperveen) , treegien , tree
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
trede , trèè , schrede, trede. Hie gunk vief trèè achteruut.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
trede , tree , trede , zelfstandig naamwoord , de 1. sport van een ladder 2. traptrede 3. stap (die men neemt bij het lopen) stap die men neemt/kan nemen als eenheid van afstand, bijv. Hoevule tree is die akker? 4. hetz. als opstap, bet. 2 6. pedaal van een rijwiel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trede , treej , traptrede
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
trede , treej , tréíj , tréíje , stap
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
trede , trèè , (zelfstandig naamwoord) , 1. tree, trede; 2. stap, schrede.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
trede , treej , stap, trede
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
trede , treej , zelfstandig naamwoord , stap (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
trede , traej , (mannelijk/vrouwelijk) , traej(e) , trede, stap , Ich waas net ei paar traej van hoes, toen ’t begós te raengele.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
trede , treej , zelfstandig naamwoord , trede; WBD tri-je (II:976) - treden (van een getouw); WBD (II:2795) 'treejer' (mv.) - treden (van een huifkar); WBD (III.2.1.71) tree - trede, ook: trap; WBD (III.1.2.153) 'tred' = stap, schrede
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
trede , traes , wreef
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
trede , traej , traeje , pas; schrede; traptrede
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut