elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: trampelen 

trampelen  , trampele , trappelen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
trampelen , traompelen , zwak werkwoord , trappelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
trampelen , traampln , werkwoord, zwak , trappelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
trampelen , treampln , werkwoord, zwak , aarzelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
trampelen , trampeln , trappen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
trampelen , drumpelen , drumpen , werkwoord , zich springend voortbewegen, met z’n voeten aaneengesloten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
trampelen , [rusteloos rondlopen ] , trampele , trampeltj, trampeldje, getrampeldj , 1. rusteloos rondlopen 2. onbeholpen dansen , Stank neet zoea te trampele!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut