elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tovenaar 

tovenaar , [iemand die tovert] , tövenaor , (mannelijk) , toovenaar.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
tovenaar , tjoender , tjoener , toovenaar, wonderdoener; tjoenster = toovenaarster; betjoend (= beteuverd) = behekst. Eigenlijk Friesch, van tsjoenen = tooveren; tsjoenster = tooveres, heks; bitsjoend = behekst.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tovenaar  , touvenaer , toovenaar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
tovenaar , teuvenaar , tovenaar
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tovenaar , toverder , zelfstandig naamwoord , de; tovenaar, iemand die kan toveren
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tovenaar , teuvenaer , (zelfstandig naamwoord) , tovenaar. Zie ook: goochelaer.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut