elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toog

toog , toog , (mannelijk) , tóge , toog.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
toog , toge , toge (Westerwolde), (Weil.: in Friesland togen = trekken, zeulen, sleepen; toge = teug; zie: rieve.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
toog , toog , (zelfstandig naamwoord) , IJsslede in de vorm van een bak, waarin men plaats neemt, en die geduwd of met een touw getrokken kan worden. || Antieke met snijwerk voorziene ijsslede of toog, Catal. Zaanl. Tentoonst. (a° 1874), no. 902. Ik heb, mit me vrouw in de toog, op skêse (schaatsen) nê Purmerend ’eweest. Kleine Jan leert rijje achter ’en tóchie. – Evenzo elders in N.-Holl. (DE JAGER, Taalk. Magaz. 4, 371). – Vgl. togen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
toog , taog , boog boven een venster.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
toog , toog , tooge , (ouderwets), 1. brede houten hark om de achtergebleven halmen te verzamelen 2. kledingstuk
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
toog , toog , toug , zelfstandig naamwoord de , Ouderwetse trek- of duwslee. Het woord is waarschijnlijk een afleiding van tijgen = trekken.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
toog , tòòg , zelfstandig naamwoord , toog. Er is een duidelijk verschil tussen ’nen tòòg en ’nen toog (met de oo van Toon). On d’n tòòg kunde ’nen bòrrel vatte. Aan de bar. On d’n toog kunde zien wè de pestoor smiddags gegeejte hè. Aan de toga, het zwarte kleed met de eindeloze rij knoopjes die vroeger door de H.H. Geestelijken gedragen werd.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
toog , toge , taoge, toog , de , togen , (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën). Ook taoge (Zuidoost-Drents veengebied), toog (Zuidoost-Drents veengebied) = getrokken hark om achtergebleven stro of hooi bijeen te harken Mit de taoge op de nakke aover het roggenland lopen grote hark (Nsch), Dat stro wör mit ain toge bie mekaor haarkt (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toog , toog , de , togen , 1. overspanningsboog boven deur of raam Der komp een toog baoven dat grote raam (Ker) 2. gewelfde bovenafsluiting van een meubel Mien moe har een mooie toog op de kast (Hav)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toog , toog , twoog , zelfstandig naamwoord , bar, toonbank (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Tilburg en Midden-Brabant); toog; ereboog (West-Brabant); twoog; toonbank (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
toog , tôog , zelfstandig naamwoord , "toonbank, in het bijz. in een café; gewelfd metselwerk; WBD III.3.1:89 'toog’ = toonbank; WBD III.3.2:258) tôog, ereboog, triomfboog, straatboog, feestboog, priesterboog = ereboog; WBD III2.1:68 'toog' = gewelf; Gent TOOG 1) toonbank: 'Aan den - geplakt staan' - ergens (vooral in een herberg) aan den toog staan en niet weg kunnen. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch dialect - 1899 - TOOG (scherpe o) zelfstandig naamwoord m. - toonbank in eenen winkel of eene herberg. Jan Naaijkens - Dès Biks – (1992) - 'toog' zelfstandig naamwoord  - toog; WNT TOOG (II) - 11) plaats waar koopwaar uitgestald ligt of getoond wordt; later bepaaldelijk toonbank in een winkel en, minder eigenlijk, buffet (tapkast) in een herberg of café (in Vlaand., Nbrab. en Zeeland); Opmerking: Bij jèppe, hierboven, komt ook 'toog' voor. Wat voor mij aanleiding was tot onderzoek. Van Dale XIV geeft onder 1. TOOG 7) tapkast, 'schouwspel' van togen (tonen). Van Dale Etymologie verwijst naar Gotisch ataugjan < augo 'iets voor ogen brengen’. In WNT XVII: 1283 wordt TOONEN vermeld: ""Toonen is wsch. reeds in de 16de, doch zeker de 17de eeuw het gewone woord boven den Moerdijk. Terzelfder tijd is het in het brab. en limb. naast het verouderende toogen in gebruik ..."" De dubbel oo in de open lettergreep garandeert dat het om een scherplange oo gaat, en de schrijfwijze toog juist is. Niettemin geeft de Woordenlijst van 1865: toog, togen; toog (=toga) togen; toonen; maar toogen komt niet voor (dialect)."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
toog , taek , tapkast
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut