elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ton 

ton , ton , (vrouwelijk) , tonnen , kinderstoel, kakstoel. Het kind zit in de ton. Vroeger was hier ten platten lande de algemeene naam ton, kakstoel scheen wel wat fatsoenlijker te klinken, kinderstoel was het woord voor groote lui. De vroegere tonnen waren hecht en sterk; de wijze van gebruik toen of nu verschilt aanmerkelijk; dat doet ons nog aan leiband, valhoed en loopstok denken.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
ton , tonne , (vrouwelijk) , ton
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
ton , tunje , tonnetje; golʼn tunje = gouden tonnetje met graveersel, behoorende bij een snoer koralen, meer eenvoudig en minder kostbaar dan een slöt. Zie: krallen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ton , ton , (tòn) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Verkl. tontje. Zie de wdbb. en vgl. hegton. – Ook in de zin van kinderstoel. Zie tonnestoel. || Guurtje zit in de ton. Zet ’er maar in de ton. Evenzo in geheel N.-Holl. (DE JAGER, Taalk. Magaz. 3, 515; BOUMAN 107). – In de oude verkl. tonje (soms ook tontje) te Zaandam bij enkelen nog bekend voor maatje (jenever). || ’En tonje drinken. – In verkl. tontje voor het tonvormige slootje aan een snoer kralen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ton  , tôn , tonne , tunke , ton.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ton , tonne , vrouwelijk , tonnen , tunnechien , ton
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ton , tonne , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , tonn , tunnken , 1 vat, ton, 2 WC
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
ton , tunneke , o , tonnetje; ’n Rond tunneke Een rond tonnetje. (Een dik meisje); model vlieger in de vorm van een vierkante bak.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ton , ton , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Regenton 2. Ouderwetse kinderstoel in de vorm van een ton. 3. Bedrag van ƒ 100.000. Vroeger onderscheidde men: herenton = ƒ 100.000,-; boerenton = ƒ 10.000,-; burgerton = ƒ 1000,-.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ton , toon , groot vat.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
ton , tonne , plee.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
ton , tonne , tönnegie , ton; * kiek den hef in de krententonne ezetten: die heeft koortsuitslag.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
ton , tun , tunne, tonne , de , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook tunne (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), tonne (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. ton Doe mos die tonne rechtzetten, anders kantelt e die umme (Bov), Op de tun met water hadden wij altied een nap drieven (Pdh), Aoltie is dik en rond en klein; net een tunnegie (Eex), Ik ben zo dik as een tun, ik heb mien maag overladen (Odo), Hij hef een boek as een tunne dikke buik (Stu), Die vent zien kop is net zo hol as een tonne (Bco), Midden in de ton kind, dat te Zuidlaren als derde de koeien op Pinkstermaandag van stal drijft (dva) 2. wc-ton (veroud.) Wai haren vrouger de tun aachter het hoes (Rod), De tonne leeggooien op het mestgat (Eli) 3. tonvormig bierglas (Zuidoost-Drents zandgebied, veroud.) *Kat in de tun werd in Roden gespeeld. Een ton, waarin een kat zat opgesloten, hing hoog tussen twee palen. Vanaf een bepaalde afstand gooide men schenskebongels naar de ton. Winnaar was degene, die de laatste knuppel had gegooid, voordat de kat - in doodsangst - naar buiten kwam. Later is dit verboden en werd de kat vervangen door een bal (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ton , ton , taon , ton, vat. verkl. tùnneke, 100 liter.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ton , tònne , ton
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ton , tonne , ton, vat.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ton , tón , ton , Kring um de zón, wôtter in de tón. Kring om de zon, water in de ton. Een kring om de zon, brengt regen.
Verkleinvorm tunneke. Un vôtje of tunneke bier, moet'ter bè 'n fisje leeg gezoope worre. Een vaatje of tonnetje bier, moet er op een feestje leeg gedronken worden.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
ton , ton , tonne , zelfstandig naamwoord , de 1. ton: bep. geldeenheid 2. ton: bep. scheepsmaat
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ton , tonne , zelfstandig naamwoord , de 1. ton, houten vat 2. maateenheid: met de inhoud van een ton 3. karnton 4. privaatton 5. dikke vrouw, dik meisje 6. naaf van een boerenwagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ton , tonnechie , zelfstandig naamwoord , tonnechies , klein vaatje bier van 1/8 hectoliter Zie ook achie, kinnechie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ton , tonne , (zelfstandig naamwoord) , tunnegien , ton, kuip. Zie ook: kupe.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ton , [ton] , tunneke , tonnetje tón ton
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
ton , ton , tonne , toilet (oorspronkelijk de ton waarvan de inhoud wekelijks werd uitgereden over het land); tonneur, (schertsend) iemand die ’s nachts de beertonnen ophaalde.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
ton , tón , (vrouwelijk) , tónne , tunke , 1. ton 2. dik persoon , Ein zeiktón en zweitveut stinke drie oor inne windj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ton , ton , zelfstandig naamwoord , tunneke , "ton, vat; 1. inhoudsmaat; Lodewijk van Dorrus Misters - Een grote 50 jaar geleden waren de tonnen nog in gebruik en werd een ton gerekend op 150 liter inhoud. Ook was er fustwerk in gebruik van 1/2 ton of ""vat"", van 1/4 ton of ""keneke"" en van 1/8 ton dat men ""kattekop"" noemde. (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 8 ‘Oude brouwerijen in Tilburg’; NTC 23-6-1951); 2. geldbedrag; Henk van Rijen - geldbedrag ad f. 30.000 (Tilburgs ton); Mandos - Brabantse Spreekwoorden - 2003 - en Tilburgse ton hebbe (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1968) - Als vroeger een Tilburger zei dat hij een ton bezat, werd dat met een korreltje zout genomen (Men schatte dat op dertigduizend gulden); tunneke; dim. tonnetje; Dirk Boutkan (1996) - tunneke (blz. 32); verkleinwoord van 'ton', met umlaut"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ton , tón , tónne , tönke , ton
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut