elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toga 

toga  , toog , toga.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
toga , toog , toge, toga , de , togen , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook toge, toga (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), toga (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe Kop van Drenthe, in bet. 1. als het een dominee betreft. Een rechter heeft altijd een toga) = 1. toga Domnie trok de toog der ook an in de consistoriekamer (Eev), Domnee hef een mooie toga (Emm) 2. kleed van een priester of een misdienaar (r.-k.) Eerder bie de processie hadden een stuk of wat misbedeinders rooie togen an (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
toga , toog , zelfstandig naamwoord , de; toga: van een priester
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut