elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: toet

toet , toetje , zoen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
toet , toet , (vrouwelijk) , toeten , 1. moedervarken. De toet met haar biggen. Als men de zeug haar voeder in de zeunis doet, en een paar maal luid, toet toet! roept, komt zij spoedig op het geluid af. Men past dit woord ook toe op jongere varkens: een koppel toeten, mooie toetjes, vette toeten. 2. toetje, mond, mondje; kindertoet, strooptoet; van een lekkerbekje zegt men, wat heeft dat kind een lekker toetje. Zamenstelling: diktoet, smultoet, toetebakkes.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
toet , toet , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Mond; van mensen en dieren. || Kind, wat heb-je ’en vuile toet. Steek je toet niet zo vooruit. Geef me maar ’en zoen met je toetje. – Een lekkere toet hebben, een lekkerbek zijn. || Wat heb dat kind ’en lekker toetje. – Zo ook in tal van samenst. als kindertoet, kindermond, diktoet en vuiltoet, iemand met een dikke of vuile mond, enz.; zie verder grijnetoet, schrooktoet, strooptoet en vijgetoet. – Toet is in geheel N.-Holl. gewoon (BOUMAN 106; Taalgids, 6, 310). Bij oudere Holl. schrijvers komt het voor in de zin van kus (OUDEMANS 7, 80), gelijk men nog in Friesl. spreekt van: tuutsjes geven. Vgl. ook Oost-Fri. tûte (KOOLMAN 3, 453 a). Het woord is één met Ned. tuit. Vgl. tuut.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
toet , toet , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Varken, zeug. Ook als lokwoord (toet! toet!) om de zeug te roepen als de voederbak gevuld wordt. || Wat ’en vette toet. De toet met ’er biggen. – Ook: big. || Een koppel toeten. ’t Benne mooie toetjes die ik te koop heb. – Bij overdracht als scheldnaam voor leerlingen der Franse school, ook wel Franse biggen genoemd. – Evenzo in geheel N.-Holl. (BOUMAN 106).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
toet , tuut* , 1: “lijvemeneerstuutje” = Overijselsch koffiekukentje; bij van Dale: onze-lieven-heers-beestje.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
toet , toet , een soort trompet.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
toet , toet , zelfstandig naamwoord de , 1. Gezicht. 2. Mond.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
toet , toet , zelfstandig naamwoord de , Jong varken, zeug.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
toet , toete , zelfstandig naamwoord , de 1. naaf van een wagenwiel, nl. van iepenhout 2. oude vrouw 3. pluisje op de vloer 4. zie toeter
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
toet , toete , (zelfstandig naamwoord) , mond, gezicht. Zie ook: gezichte.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
toet , toet , haarknot.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
toet , toete , mond (misprijzend bedoeld).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut