elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tochtgat 

tochtgat , tochtgat , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Ook: een door de wind opengehouden plaats in het ijs, wak; trekgat. || Er benne veul tochtgaten in ’et ijs; je magge dus wel goed uitkijken.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
tochtgat  , tôchgaat , een plaats waar het zeer tocht.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
tochtgat , tòchgat , tochtgat
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tochtgat , tochgat , (zelfstandig naamwoord) , tochtgat, trekgat.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut