elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tijdig 

tijdig , [vroeg, gereed] , tij , tijdig, spoedig, vroeg. , Ik zal zoo tij als gij gedaan hebben. Zoo tij mogelijk verwacht ik u.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tijdig , tijde , wordt hier als een bijwoord gebruikt voor ras in de spreekwijze van zoo tijde als, dit is zoo ras als. Men spreekt het tij uit.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
tijdig , tiedîg , tieg , wordt van biggen, lammeren en de jongen van konijnen gezegd, als zij oud genoeg zijn om van de moeder genomen te worden. (In ’t Oldampt zijn biggen met 6, in de Ommelanden met 5 week tieg.) – tieg, in deze beteekenis, moet als eene gebrekkige uitspraak beschouwd worden. Kil. tijdigh = rijp voor, enz.
drachtig, van koeien, en ter onderscheiding van: voarmelk; – tiegkou = tiege kou = koe die in ’t voorjaar, als zijnde de gewone tijd, moet kalven. Zal dit op andere tijden plaats hebben dan noemt men het: drachtîg wezen. Oostfriesch tidîg, tieg = drachtig. – tieg, samentrekking van: tiedîg = tijdig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
tijdig , tiech , gereed, klaar. Hej ’t heuj al tiech?
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
tijdig  , tieddig , tijdig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
tijdig , tiedig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , op tijd, tijdig De vergadering möt tiedig begunnen (Wsv), Het bint tiedige biggen, die bint in acht weken klaor (Sle), ‘Tiedige biggen’ wör anplakt an de boom (Ruw), Ik was tiedig aanwezig (Sti), z. ook tiedelijk
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tijdig , tiedig , tijdig
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
tijdig , tiedeg , tijdig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tijdig , tiedig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. tijdig, op tijd 2. (van biggen) klaar om bij de zeug vandaan te kunnen, d.i. veelal: klaar om verkocht te worden 3. van gewassen, met name inzake hooi: voldoende gedroogd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tijdig , tiedig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , tijdig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
tijdig , tijeg , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , tijdig
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut