elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: tegenover 

tegenover  , taegeneuver , tegenover.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
tegenover , teengnouwr , voorzetsel , tegenover
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
tegenover , tegenover , voorzetsel, bijwoord , tegenover Hij woont tegenaover de karke (Hol), Wat stel ij daor tegenover? (Oos), Ik heb mien belofte tegenaover oe eholden (Ruw), Tegenover ous stait een mooi hoes (Nor), Ze stunden as een paar kemphanen tegenover mekaar (Zwe), Hij zat tegenover mij (Wes), maar ook Hie woont vlak tegen oes over (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
tegenover , teegnaover , tegenover.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
tegenover , tegenover , voorzetsel , ook niet aaneen, bijv. Ze woont tegen oons over
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
tegenover , tegenaover , (voorzetsel, bijwoord) , tegenover.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut