elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: taats

taats , taets , taats  , Alde taats, half versufte vrouw.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
taats , taas , taats , taa(t)s of kloot, hoe de priktol ligt, met de punt of de bolle kant naar boven (1890).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
taats , taas , hoofd. Hij is op z’n taas gevallen.
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
taats , tèts , vuurbakje voor in de stoof.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
taats , taes , zelfstandig naamwoord , taeze , taesie , taats, punaise; Hij hattem bij z’n taes Hij had hem te pakken; Hij is zôô op z’n taes getrapt Hij is snel op zijn teentjes getrapt; taeze handen, voeten Kijk uit, bran’ je taeze niet! Kijk uit, brand je handen niet! Hij liet de schop op m’n taeze valle Hij liet de schop op mijn voeten vallen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
taats , taos , spijker (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
taats , tets , zelfstandig naamwoord , kopspijkertje (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
taats , [kletswijf] , taatsj , (vrouwelijk) , kletswijf , Det is ein echte taatsj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut