elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sullen

sullen , sulleken , (zwak werkwoord, intransitief) , Sullen, glijden op een ijsbaantje of op de platgetreden sneeuw. || Kom jongens, sulleken!
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
Sullen , Sullen , (zelfstandig naamwoord) , meerv. Naam van een paar stukken land onder Assendelft. Ook: de Sulles, en tegenwoordig de Sullensen genaamd. Het is laag, week land, dat lilt als men er op danst. Omtrent de oorsprong van de naam is niets met zekerheid bekend. || Die cullen, Polderl. Assend. I f° 108 r° (a° 1600). Die halve zullen, 307 roe, ald. II f° 111 r° (op dezelfde blz. nog eens: “die halve cullen”, eveneens 307 roeden; de c werd dus als ç uitgesproken) (a° 1600). D’sulles van Florisven; d’2 sulles op de Blocksloot in de Hemme, ald. IX f° 444 v° (a° 1657). De Sullensen, Verkopingsbiljet (a° 1885).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
sullen , sölle , sullen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
sullen , zulle , werkwoord , Glijden.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut