elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stulp 

stulp , stö̀lpe , (vrouwelijk) , stulp.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
stulp , stülpe , (vrouwelijk) , stulp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stulp  , stölp , stulp.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stulp , stulp , de , stulpen , stulp Geert van Waander zee vaak: Ik bin tevree in mien nederige stulp (Ndo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stulp , stulp , (Midden-Drenthe), in Wat was er een konsternaotsie, alles leup hulp over stulp door elkaar, verkeerd (And)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stulp , stulp , kiepkar
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
stulp , [nederige woning] , stùlpke , woninkje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut