elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stuip

stuip , stoepert , (Auwen) = toeval in eene ziekte; in de zegswijs: doar komt ’n stoepert op! als waarschuwing voor kinderen die bijzonder veel pleizier hebben, die uitgelaten zijn van pret; ook: als zij een gastmaal hebben, smullen, en zooveel als: daar komt een andere tijd, op zonneschijn volgt regen. Oostfriesch stuker, stûker, stukert, ook: stuper, stûper, stuperd, stûperd = wat de verdere beweging van iets doet ophouden, wat (fig.) een spaak in ’t wiel steekt, een anderen toestand, in ongunstigen zin, doet geboren worden. Van: stoek, of: stuip, in de beteekenis van: stoot, hindernis, beletsel. Zie ook: stoeken, en vgl. stokvarf, en: stopverf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stuip , stuup , stuip , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bochel, bult (Wijde-Wormer). || Kijk, die man heb ’en stuup. – Vgl. stupel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stuip , stüp , Alde stüp, oude kerel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stuip , stuup , stuip.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stuip , stůppe , vrouwelijk , stůppen , stüppien , stuip
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stuip , stoepe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stoepn , stuupken , stuip
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stuip , stuipe , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze ik kreeg de stuipe, ik werd doodsbang, ik werd bar zenuwachtig.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stuip , stoepe , stuip.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
stuip , stoepe , stuip.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stuip , stoep , stoek , de , Ook stoek (Kop van Drenthe), vaak verkl. = stuip As kind har hij vaak last van een stoep (Dal), ...stoepies (Eex), Het kind har een stoekie (Zey), ...stoekie of stoepie (Row), ...stoek (Pei), (fig.) IJ jaagt mij de stoepen op het lief (Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stuip , stoepe , stupe , stuip
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stuip , stoepe , 1. stuip. ’t Kiend hef biej toern las van stoepm. 2. bevlieging. As hie zon stoepe krig, dan blif hie an de gank tut alles of is.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stuip , stûipe , stuipen , We gerôkte in peniek tuun dieje klééne van óns de stûipe kriig, mér't viel meej. We geraakten in paniek toen een kind van ons de stuipen kreeg, maar het viel mee.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
stuip , stuipte , zelfstandig naamwoord , stuiptes , stuipie , stuip Je joog oñs de stuiptes op ’t lijf Je joeg ons de stuipen op het lijf Vroeger gonge d’r veul kindere dôôd an de stuiptes Vroeger gingen veel kinderen dood aan stuipen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stuip , stoepe , (zelfstandig naamwoord) , stupien , stuip. Ik ète mi’j een stoepe in die stamppot boerenkool. ‘ik eet er veel te veel van’.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stuip , stuup , bijvoeglijk naamwoord , stevig, eigengereid (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
stuip , stuup , (vrouwelijk) , stupe , stuupke , stuip , Kinjer kónne de stuupkes kriege bie hoeag koors.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
stuip , stuup , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , "korte uu; flink, fors: onvervaard; 't Is en stuup kèènd vur deren aawer; R Hij blêef stuup durwèèrke. A.J.A.C. van Delft – D'r wier stuup gezongen en dan gebeurde 't nogal ies dètter messe getrokken wiere! (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929); Kees en Bart - Tilburgsche Post ca. 1930 - ''n stuup keind'; Van Beek - ""'n Stuup kènd vur durren aauwer"" vertaalt men met: Een flink kind voor zijn leeftijd. (Nwe. Tilb. Courant; Typisch Tilburgs afl. XI; 10 jan. 1958); Van Delft - - ""Ties 'n stuup keind vur zun jaore"", zegt men over 'n flink kind voor de leeftijd. (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); Van Delft - - Als we wat laat zijn en ""een uur in drie kertier willen gaon, dan motten we stuup gaon"". (Nwe. Tilb. Courant; Van Vroeger Dagen afl. 110; 20-04-1929); Oome Teun stapte stuup-aon... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Oome Teun op collecte’; feuilleton in 3 afl. in de NTC 12-8-1939 –26-8-1939); Cees Robben – ’n Stuup kênd vur durren aauwer..! (19550806); Opt list vond ik nòg en petrèt/ van ons (toen we nòg vreeje)/ Wè waare we tòch en stuup paor.../ Mar... dès vort lang geleeje. (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: Willem wies wètter was); WBD III.1.1:15 'stuup' zwaar van lichaamsbouw; ook: 'stug' of 'struis'; Stadsnieuws - Hij bleef stuup durwèèreke èn trok zenèège nèrgeraand wè van aon (221008) - hij bleef stug doorwerken en trok zich nergens iets van aan. C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) – STUUP bw, verwant met 'stuip', gebogen houding? In de uitdr. 'stuup durwerke' - onafgebroken doorwerken zonder op te zien of de rug te rechten."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
stuip , stèùp , stèùpe , zelfstandig naamwoord , van de spierziekte 'stuipen'; ziekte; WBD III.1.2:279: '(de) stuipen hebben', 'in de stuipen liggen', 'aan de stuipen lijden' = de stuipen hebben, krijgen; R.J. 'kreeg ie mar de stuipen'; schelmenstreken; – Daor kan 'k oe en stèùp van vertèlle Sjonge-sjonge, wè hebben wij vruger stuipen uitgehaold! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 1; NTC 1-10-1938); Audioregistratie 1978 - Sus de Brèùn! Daor hèbbe ze nòg schôon stèùpe meej ötgehòld! Sus de Brèùn… (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); WBD III.1.4:262 'stuip' = gril; WNT STUIP (I) gril, kuur, luim, nuk; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - zelfstandig naamwoord vr. 'stuip' - trek, klucht; onbedaarlijk gelach; uitdrukking: in en stèùp ligge
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut