elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stuik

stuik , stoeke , L. F. eenige schoven piramidaal aan elkander opgezet, van Kil. stuiken, verheffen. Geld. opstoeken, boekweit-garwen tegen elkander opzetten. Overijs. garsten [voor garwe-sten], id. Bij de Schotten is to stoich, ophopen, overladen, freq. to stoicher. She ’s a stoichert quean, de vrouw zit in een dik pak kleren. He ’s stoichert up like a Dutchman, [overloaded with clothes.] Hij zit zoo dik in het pak als een Hollander.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
stuik , stoeke , stuip; verbastering van: stoepe, Kil. stoepen, stuypen, stuycken. Gron. stoeken = luimen, nukken; Neders. stuke = aanval van kramp. Verwisseling der p en k.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stuik , stoek , luim, nuk, kuur; hij het van dei stoeken = hij heeft van die nukken of vlagen, meestal in ongunstigen zin. – Ook = stuip, aanval van de stuipen. Drentsch stoeke; Oostfriesch stupe, stûp = stoot; ook = luim, gril, en: stuke, stûke, stûk = stoot, tegenstoot, en: gril, booze luim; Nederduitsch, Middel-Nederduitsch stuke = tronk, boomstam; aanval van kramp, stuipen, enz.; Kil. stuyck = stuyp. (v. Dale: stuip, verrekking der ledematen, met bewusteloosheid gepaard, inz. van kinderen; ook = gril; stuik = schudding, stoot.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stuik , stuik , waschstamper met drie of vier stompe pooten of punten. - Stuiken, de wasch met zulk een instrument behandelen.
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
stuik , stoek , mof, boa.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stuik , stoek , m , stroomstoot ’ne Flinke stoek kriege Een harde stroomstoot krijgen.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stuik , stoek , schók (van stroëm).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
stuik , stuik , stoik , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), stoik (LPW: IJss) stapel (hout); ‘op stuik zette’ (Coth) Zie ook *opstuike . Zie het artikel De griendcultuur rond IJssel-stein in hoofdstuk 5. Ook in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (berns 1991, p. 151 en p. 157).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
stuik , stuik , vier of zes garven bij elkaar.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
stuik , stoeke , stoepe , zelfstandig naamwoord , de 1. eenheid van een twintigtal bijeengeplaatste garven, bossen koren e.d. (tien tegenover elkaar geplaatste tweetallen naast elkaar bij rogge, zes of tien bij haver); ook wel op andere wijze en/of in een ander aantal geplaatst, ook: in een rond geheel geplaatste garven 2. hoop hol gestapelde turf (veelal rond; zie ook kaarn bet. 2) 3. (vaak mv. van verkl.) losse klaverruiter met daarop te drogen hooi of bonen, ook gezegd van losse hoopjes hooi of bonen die op hout lagen te drogen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stuik , stuik , zelfstandig naamwoord , stuike , stuikie , stapel D’r zat een bôôñsem onder een stuik stommels Er zat een bunzing onder een stapel boomstronken
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stuik , stuuk  , groepje tegen elkaar aan staande (koren)schoven.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stuik , stèùk , zelfstandig naamwoord , stapel (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
stuik , [stoot] , stoek , (mannelijk) , stoeke , stoekske , stoot, por , Es se sjrikdraod vaspaks mèt bloeate henj, kriegs se eine stoek.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut