elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: struik 

struik , struk , Struik.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
struik , strûk , strü̂̂ke , (mannelijk) , struik.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
struik  , stroek , strükske , struik, struuk <u>Oet de struuk make, verdwijnen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
struik , stroek , struuk , m , stroeke/struuk , struukske(s) , struik, struiken, struikje(s).
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
struik , struk , zelfstandig naamwoord de , 1. Struik. 2. Koolstronk, vooral de zogenaamde poot van de kool. Vgl. Fries strûk.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
struik , struuk , plant met een stengel die zich reeds vanaf de grond in min of meer stevige, veelal houtige takken verdeelt.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
struik , stroeke , strukie , struik.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
struik , stroek , stroeke, struke, strouke , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook stroeke (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën), struke (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), strouke (Veenkoloniën) = 1. struik Die bossies bint aordige stroeken worden; die moet er oet (Sle), De zwörm hung in de struken van een bijenzwerm (Bei), De nachtegaal zat in de strouken (Git), Die komp uut het laand van heide en struken van een onderontwikkeld persoon (Pes), (fig.) Je mouten niet alles op hegen en stroeken gooien in de openbaarheid brengen (Vtm), Ik heb er gien struke of staal van wèer ezene niets (Rui) 2. (N:be:Rod), in Hij kan altied de boudel op stroeken brengen fleur in het gezelschap brengen 3. paard (Kop van Drenthe) Wat een olde stroek (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
struik , struke , struik
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
struik , struuke , struukien , struik.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
struik , struke , struuk , zelfstandig naamwoord , de 1. struik 2. oude kerel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
struik , struke , (zelfstandig naamwoord) , strukien , struik.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
struik , stroek , (mannelijk) , struuk , struukske , struik
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
struik , strèùk , zelfstandig naamwoord , strökske , struik; strèùke - struikgewas, 'strèùkgewaas'; De Wijs  – (’n laat getrouwde juffrouw is ondanks alles (of dankzij) in verwachting geraakt) “Jè, jè, nen auwen struik wil nog wel groeien, asser wè sap aon zunnen wortel komt!” (15-06-1963); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - as ge òn nen aawe strèùk waoter giet, gaotie nòg wèl es bloeje (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1969) - gezegd v.e. vrijgezel die op latere leeftijd trouwt; WBD I:1475 aardappelstruik: 'bos', (Hasselt) strèùk; Dirk Boutkan (1996) - geen klinkerverkorting in: strèùkgewaas; WBD III.4.5:58 strèùk - boomstronk; ook genoemd; post, knuist, gateind, konteind; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STRUIK zelfstandig naamwoord mannelijk  zie wdbb. op struik verkoopen - graan verkoopen, ter wijl het nog te wassen staat. STRUIKEN zijn uitgegroeide wortels en ondereinden van denneboomen; strökske - verkleinwoord; struikje; verkleinwoord van 'strèùk', met vocaalkrimping
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
struik , stroe~k , struu~k , struukske , struik
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut