elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strot

strot , stròtte , (mannelijk, vrouwelijk) , stròtten , strot.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
strot , strööt , strot.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
strot , strotte , [strǫtә] , vrouwelijk , strot
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
strot , strotte , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , strotn , strùtjen , 1 strot, 2 keel. t In de strotte hebm, een zere keel hebben; ne gruetse strotte, een verwaand mens; de strotte oethangn, de keel uit hangen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
strot , strot , zelfstandig naamwoord de , Ook: 1. Doordringende stem. | Wat het die kirrel ’n strot! 2. Massa. | Die kachel geeft ’n strot warmte. Zegswijze ’n strot opzette, erbarmelijk schreeuwen, te keer gaan, huilen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
strot , strotte , strot.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
strot , strot , ströt, strotte, strötte, strödde , de , strotten , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe). Ook ströt (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), strotte (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied), strötte (Zuidwest-Drenthe), strödde (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = strot, vaak wat grof voor een keel De honden vlogen mekaar naor de ströt (Eex), Ik heb het nogal in de strödde keelpijn (Vtm), A’k die rotkerel te pakken kriege, kniep ik hum de strotte of (Hgv), Die zolde bonen gieren joe deur de strödde (Erf), Zie hebt mij tegenholden, aans ha’k hum bij de strot grepen (Zwe), Det eeuwige gezanik aover zien bochel kwam hum de strotte uut (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strot , streut , strot.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
strot , stròtte , strot
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
strot , strotte , zelfstandig naamwoord , de; keel, hals ’t in de strotte hebben keelpijn hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
strot , stroot , zelfstandig naamwoord , stroote , strootjie , [O] strot Ik heb net een kip de stroot ofgesneeje
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
strot , strotte , (zelfstandig naamwoord) , ströttien , strot, keel, hals. Zie ook: kèle, als, görgel, kèlewinkel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
strot , strot , strotte , keel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
strot , stroeat , (vrouwelijk) , strot, keel , Det kumtj mich de stroeat oet. Ein stroeat opzètte: hard schreeuwen; brutaal antwoorden. ’t Verke de stroeat doorsnieje.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
strot , stroot , zelfstandig naamwoord , WBD III.1. :112 'stroot' = strot; WNT XVI:206 STROOT, naast strot, thans gewestelijk nog in gebruik.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
strot , sträö~t , strot
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut