elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strijd 

strijd , stried , (= strijd), voor: lust, zin; hij het ʼr gijn stried an = hij doet het noode, of: in ʼt geheel niet = hij wil dʼr nijt an. Zal eigenlijk beteekenen: hij strijdt er niet voor, hij blijft onverschillig, het laat hem koud, dus: hij steekt er de handen (of den mond) niet naar uit.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
strijd  , stried , strijd.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
strijd , stried , mannelijk , strijd, afkeer. Daor heb ik aaltied nen stried op ehat: daar heb ik mij nooit mee kunnen verenigen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
strijd , stried , zelfstandig naamwoord, mannelijk , strijd. Dr nen stried op hebm, er tegenzin in hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
strijd , stroid , zelfstandig naamwoord de , Strijd, in de zegswijze d’r stroid van hewwe, in tweestrijd staan, het er moeilijk mee hebben. | Ik had er stroid van, maar ik hew de hond toch wegdein.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
strijd , stried , de , strijd Hij gef de stried nooit op (Bor), De stried mot nog streden worden (Rol), Het leven is soms een stried (Ker), Over dat stukkien grond is veul stried west (Sle), Daor mus nogal wat stried leverd worden (Schl), Het was nog een hiele stried um de bol hen de slager te brengen (Bei), ...um de kop boven water te holden karwei (Zwin) *Het is een stried in het leger, allemaol soldaoten (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strijd , stried , 1. strijd; 2. woordentwist
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
strijd , stried , strijd.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
strijd , stried , zelfstandig naamwoord , de 1. strijd 2. wedstrijd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
strijd , stried , (zelfstandig naamwoord) , strijd.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
strijd , strèijd , strijd , ’ne Zwôre strèijd gestreeje hébbe. Een zware strijd gestreden hebben.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
strijd , strèèd , zelfstandig naamwoord , strijd; Henk van Rijen - 'Hè heej zunne strèèt gestreeje' - Hij heeft zijn strijd gestreden.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
strijd , strie~d , strijd
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut