elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: strevelen

strevelen , streveln , sukkelen, kwijnen. Zal tot: streven, moeten gebracht worden als freq. vorm; het Oostfr.: strêfsk = voorwaarts, steeds verder, vooruit strevend, en zoo: streveln, eigenlijk: de gezondheid steeds trachtende te herwinnen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
strevelen , straevele , tegenspreken. Taege straevele, tegen spreken.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
strevelen , straevele , in en gesprek ut ni mit elkaar aens ziën (stechele).
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
strevelen , streveln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. moeite doen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Hie strevelt er tegen om het te volbrengen (Eev), Hij mus er in schooul aordig tegen streveln um met te kommen (Gas), Hie mus der zo tegen streveln um der weer bovenop te kommen (Odo) 2. sukkelen, kwijnen (wm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
strevelen , straevele , straevelde – gestraeveld , twisten; redetwisten; bekvechten; kibbelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut