elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stoten 

stoten , stooten , In de keuren van Breda, in handschrift onder mij berustende, leest men: “Item so wie een huys stiete met evelen wille vbeurt x L”. Onder de beteekenissen van stooten heeft KILIAAN ook die van pulsare, quassare, offendere, allidere, illidere, impingere, tundere. Bijvoegsel: Hoezeer men in deze beteekenis ook oudtijds aanstooten in oude stukken gebezigd vinde, zoude het hier ook kunnen beteekenen het feitelijk en onwettig zoeken naar iemand in zijn huis, hetwelk huisstotinge genoemd wordt in het Oude Stadsregt van Deventer, bij DUMBAR, bl. 165. Zie de aant. op ’t 4. B. art. 25 van het Gron. Stadsboek, in het 5. D. der Verh. v. h. genootsch. p. exc. jur. patr.
Bron: Hoeufft, J.H. (1838), Aanhangsel op de proeve van Bredaasch Taal-Eigen, bevattende ophelderingen van eenige in onbruik zijnde woorden en spreekwijzen, in oude Bredasche stukken voorkomende, Breda.
stoten , stooten , (sterk werkwoord) , stooten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stoten , stòrten , stòten , (zwak werkwoord) , stooten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stoten , steuten , stooten; ’t lichoam stöt mie (= de hoed trilt mie) = ik beef, bv. van schrik. Zie ook: bōk.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stoten , stoten , (zwak werkwoord) , vgl. opstoten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
stoten  , stoeëte , stooten. Bôtter stoeëte, karnen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stoten , stooten , stodde, estot; ik stoote, dů stotst, hei stot, wi, i, zei stootet [stöt̥]; ik stodde, wi stodden , stoten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stoten , stootn , werkwoord, zwak , 3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: stòt, verleden tijd: stòtn, verleden deelwoor , 1 stoten, 2 schoppen, trappen. Umme stootn, omspitten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stoten , stötten , steut, estötten , stoten.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stoten , stötkern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drents zandgebied) = stoten Een kliedewagen stötkert (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoten , stoten , steuten, staoten, stötten , sterk werkwoord, overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook steuten (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe), staoten (Zuidwest-Drenthe, zuid), stötten (Scho, Pdh) = stoten Hij stöt die mit de klingelbuul an de kop, as doe der niet wat ingooist bij de collecte in de kerk (Bco), De ram wil je steuten (Bal), Wat e mit de haande recht zet, stöt e met de neers weer um hij is onhandig (Pdh), De reitdekker is het stro an het stoten stoot het tegen de grond zodat de ondereinden gelijk komen (Sle), (fig.) Der is gieneein, die zuk der an stoten kan er aanstoot aan kan nemen (Eex), Hij stöt wat an de bult (Rol), ...an de bulten hij stottert (Die), Hai wol dat gauw even terechte steuten haastig in orde brengen (Vtm), Ik wil de kop liever niet steuten iets onaangenaams ervaren (Dro), Hij moet wel een keer de neuze stoten het gaat wel een keer mis (Eri), Dat stöt mij tegen de börst stuit (Gie)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stoten , stoten , stöt, steut, steuten, estoten (Kampen) / esteuten , stoten
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stoten , stoten , stotten , werkwoord , 1. stoten geven 2. stotend bewegen, brengen, aanbrengen 3. hortende, hobbelende bewegingen maken
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stoten , stôôte , werkwoord , stôôt, stôôtte/stôôtende, gestôôte , 1. stoten Waer hejje dat uit de lappe gestôôte? Waar heb je dat op de kop getikt? Ook uit de lappe gestoord, uit de lappe gestoole 2. zwaar ademen De koe lag zwaer te stôôte
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stoten , stoewete , stoten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
stoten , stwotte , stoten
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
stoten , stoote , biljarten, stoten , Vrèijdigs gónge we dik ’n perteijke stoote in ’t cuffeej van Hannesse. Vrijdags gingen we dikwijls een partijtje biljarten in het café van Hannes.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
stoten , rauw stoten , zich zo stoten dat de huid beschadigd wordt (Putten).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stoten , stoeate , ich stoeat, doe stuuets, hae stuuetj, wae stoea , stoten , Bók dich, anges stuuets se dich! Emes get vuuer de vot stoeate: iemand ergens mee opzadelen. Emes vuuer de kop stoeate. Es se dich dao mer neet diene kop aan stuuets!: als je maar niet de deksel op je neus krijgt. Verkesvoor stoeate inne stoeatpot: varkensvoer fijnmaken in de stootpot.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
stoten , stôote , zwak werkwoord , stoten; 1965 - Hoogendoorn - uitdrukking - 'Een kalf kan tegen een koe niet stoten'. WBD stoten, met de horens (gezegd van een bok); WBD glaansstôote - glanzen van leer aan de nerfkant, ook 'glaanze' genoemd (II 663); stôote - stotte - gestôote vocaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij stot; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) stôote - gij/hij stot; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STOOTEN - de gevulde glazen klinken; ook: tikken; stot - stoot; Cees Robben - ge stót meej oew kónt alles óm wègge meej oew haande hèt rèèchtgezèt; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 37) 'stot' 2/3 p. sing. van 'stôote'; tegenwoordige tijd 2e + 3e pers. enk. van 'stôote'; stotte - stiet, stootte; Dirk Boutkan (1996) - (blz. 40) stottegij 'stoot je, stootte je' haplologie uit stottedegij; verleden tijd van stôote
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
stoten , stoeëte , staet – gestaote , stoten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut