elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stom 

stom , stom , (bijvoeglijk naamwoord) , stom, dom.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stom , stom , (bijwoord) , zeer: stom mooi; geheel en al; ’k was et stomp vergetten; ’k bün stomp van den bôl af.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stom , stōm , tot versterking van het begrip in: stōm mooi, lelk, dik, hoog, veul, vet, enz. = zeer mooi, leelijk, enz., waarvoor ook stolte, bōtte, störmse, verdōlde mooi, enz. “hij ’s stōmme ijnvaudig in zien proat”; dat wō’k stōmme geern. – Ook als stoplap, of overtollig in: hij zee gijn stōm woord = hij sprak geen enkel woord; da’s jà ’n stōmme proat (= da’s jà proat as ’n pet) = dat is klare onzin; wel stōm! = wel wel! wel verbaasd! enz.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stom , stom , De uitdrukking: Bin ʼk stom! beteekent: inderdaad; alsook: Wat je zegt! Wel verbaasd!
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
stom , stom , De uitdrukking: Bin ʼk stom! beteekent: inderdaad; alsook: Wat je zegt! Wel verbaasd! *Nu breekt mijn klomp; Bink stut.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
stom  , stôm , stom. Zoeë stôm as ein verke, zeer dom zijn. Te stôm um veur den duuvel te danse, reuzestom zijn. Stômmen achtereuver, scheldnaam, iets zeer verkeerd doen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stom , stom , m , dom.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
stom , stom , stomp , helemaal, bv. stom(p) vergeten.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
stom , stom , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , stom, dom Hij har in zien opstel een stomme fout maakt (Hoh), Die vent is lang niet stom (Schn), Hoe kuj non zo stom doen! (Sle), Daor hej een stomme zet daon! (Wijs), Wat een stom gedoou! (Gas), Wat stom, de’k daor niet an edacht hebbe (Koe), Stomme hond! (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stom , stom , 1. dom. Zo stom as een änte; 2. zielig. Det stomme dier kan ’t ook niet elpen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stom , stóm , dom , Héij is te stóm um vur d’n duuvel te danse. Hij is te dom om voor de duivel te dansen. Hij is zeer dom.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
stom , stomme , bijwoord , in hoge mate, in stomme graeg heel erg graag, ook wel in vergelijkbare verb., bijv. Wat stomme jammer!
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stom , stom , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. stom 2. (van dieren) meelijwekkend 3. vervelend, onaangenaam 4. niet volgens de gangbare mode, niet trendy 5. geheel en al, bijv. in stom toeval
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stom , stóm , stómmer, stómst , stom, dom , De stómste boere höbbe de dikste aerpele. Doe stómmen achteruuever: jij, ezelskop! Es de stómme neet bestónge, haje de slumme niks te lache! Hae is zoea stóm es ’t echelste van ei verke. Nog te stóm zeen óm vuuer d’n duvel te danse. Stóm geboeare en niks biegelieërdj: werd gezegd van iemand die een stomme streek had uitgehaald. Stóm tuuen oethoeale. Waat eine stómme kal!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
stom , stom , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , stom; dom; Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - zo stom zèèn ast pèrd van O. L. Heer (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1974); Frans Verbunt - stom ast aachterènd van en vèèrke; WBD III.1.4:33 'stom' = dom; 'stomkop', 'stommerik' = dommerik; WBD III.1.4:36 'stommerik' = ezelachtig persoon; WBD III.1.4:361 'stom werk' = nutteloze arbeid
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut