elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stiepen 

stiepen , [pruilen] , stîpen , (zwak werkwoord) , pruilen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stiepen  , stiepe , steunen, stutten.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stiepen , [stutten ] , stiepe , stieptj, stiepdje, gestieptj , 1. steunen, ondersteunen, stutten 2. zich stiepe = zich verzetten 3. zich ~ = zich inspannen , De proemeboum stiepe. Eine sjeive gevel stiepe.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
stiepen , stiepe , stiepde – gestiep , stutten
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut