elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stem 

stem , stemme , (vrouwelijk) , stem.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stem  , stum , stumke , stem, Ein stum as ein oerdeil, vreeselijk hard schreeuwen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stem , stemme , vrouwelijk , stem
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stem , stemme , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stemm , stemmken , stem
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stem , stemme , stemmegie , stem.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stem , stem , stemme , de , stemmen , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook stemme (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. stem Ik ken hum an de stemme (Ker), Ik heb het in de hals, ik bin de stem kwiet (Hoh), Hie hef een harde stem (Wee), Die is good bij stem (Wsv) 2. mening, oordeel Die hef een grote stemme in het kapittel heeft veel te zeggen (Rui), De meeste stemmen geldt (Hol), ...telt (Bei), (fig.) Je moet je stem laoten heuren laten merken dat je er bent (Wee) 3. (ti), in De vrouwlu deelt de stemmen oet zijn de baas
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stem , stemme , stem
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stem , stemme , zelfstandig naamwoord , de; stem
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stem , stemme , (zelfstandig naamwoord) , stem.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
stem , stum , (vrouwelijk) , stumme , stumke , stem , De stum van eine is de stum van geine: waar een of twee partijen de meerderheid hebben, wordt de oppositie altijd weggestemd. Ein gooj stum höbbe. Nao vastelaovendj haaj d’r gein stum mieë. Zien stum oetbringe vuuer de verkezinge.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
stem , stèm , zelfstandig naamwoord , stèmmeke , Cees Robben – Daor vlinderen as vlemmekes/ Veul helle kender-stemmekes... (19580531); Mandos - Brabantse Spreekwoorden (2003) - 'ik hèb die stèm nôot geheurd', zi de köster, èn de gèèt stón óp et koor (Pierre van Beek - Tilburgse Taalplastiek 1971)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
stem , stum , stumme , stumke , stem
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut