elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: steggelen

steggelen , stechelen , stachelen, steggelen , "krakeelen, twisten. Men zegt ook stechelen en stichelen. Hiervan stachelaar, stichelaar en stechelaar voor twistzoeker, ruziemaker; twist zoeken is v
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
steggelen , stechelen , (zwak werkwoord) , valsch spelen (bij kinderen).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
steggelen , stechele , plagen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
steggelen , stèchele , steggele , [D.: stacheln] bekvechten, redetwisten, mondruziën.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
steggelen , stechele , ut ni mit elkaar aens ziën.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
steggelen , stiggeln , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = ruzie zoeken en ruzie maken Hol ies op te stiggeln, hej anders niks te doun? (Bco), Hij hef altied wat te stiggeln (Eri), z. ook stiekeln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
steggelen , stèchelen , bekvechten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
steggelen , stéchele , bekvechten , Wa kunne die kénder toch stéchele meej mekaor, uwweg èn aalté zén'ze ôn't eezele. Wat kunnen die kinderen toch bekvechten met elkaar, eeuwig en altijd zijn ze vervelend.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
steggelen , stèggele , bekvechten
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
steggelen , stèchele , stechelen, kibbelen
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
steggelen , stèchele , werkwoord , kibbelen, redetwisten (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Land van Cuijk; Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
steggelen , steggele , werkwoord , kibbelen, redetwisten (Tilburg en Midden-Brabant; West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
steggelen , [redetwisten] , stechele , stecheltj, stecheldje, gestecheldj , redetwisten, zie ook zich vrei(g)ele, zich tagke
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
steggelen , stèchele , zwak werkwoord , stèchele - stèchelde - gestècheld , bekvechten, kibbelen; WBD III.1.4:240 'stechelen' = kibbelen; ...er wier venijnig gestecheld... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; feuilleton ‘Bad Baozel’, 8 afl. in NTC 31-12-1938 – 18-2-1939); ...en toen hebben ze nog 'n tijdje deurgestecheld en 't gong er hard naor toe... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; ’Kareltje Vinken’; feuilleton in 10 afl. in NTC 13-4-1940 – 24-8-1940); De köster en den örgenist waren gewoon nogal vurig tegen elkaar te stechelen over alles en nog wè,... (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 2; NTC 8-10-1938) ; ...de mannen trekken aaltijd aon et kortste endje as ze mee het vrouwvolk gaan stechelen! (Jan Jaansen; ps. v. Piet Heerkens svd; De nuuwe kapelaon van Baozel, afl. 12; NTC 17-12-1938) ; - Nou, ik ha gin zin mir om nog lang te stèchelen… (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Òch, d’r waar netuurlek in èllek höshaawe welles stront òn de knikker. Dè begos meej stèchele en èntele. Daor kwaam hommeles van, èn dan begos ’t ’r pas goed te spanne. (Ed Schilders; Wè zeetie?; website Brabants Dagblad Tilburg Plus 2009); WNT STECHELEN - 1) valsch spelen, 2) knoeien, smokkelen op school, 3) twisten, krakeelen, 4) mokken, wrokken, dwars zijn; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect; 1899 - STECHELEN, STEGGELEN - wringen, wrokken, dwars zijn, preutelen. A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - stäXələ(n), zw.ww. intr. 'stechelen' - redetwisten, krakelen, kibbelen. Koenen N.B. in Ned. = vals spelen (Koenen: ook wel 'steggelen'); C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal (1978) – STEGGELEN onov. ww - discussiëren.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
steggelen , steggele , kibbelen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut