elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: stap 

stap , stap , 1. trap aan den kant eener vaart of sloot. 2. toeslaande val, knip of klem om vossen, ratten, enz te vangen. Gron. stap, rötstap, ook voor bunsings, enz. NH. mollenstap, otterstap.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
stap , [toeslaande (muizen)val] , stappe , vòssestappe , (mannelijk) , toeslaande val.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
stap , stappe , vossestap , (mannelijk) , stappen , toeslaande val.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stap , stappe , (mannelijk) , stappen , hoogten van zooden in ondergeloopen land om den voet op te zetten.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
stap , stap , soort van val om ratten, bunsings en marters te vangen; ook Drentsch, waar men er ook vossen mee vangt. Noord-Hollandsch mollenstap, en: otterstap. Oostfriesch stap.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stap , stap , (schrede); ’n stap of wat loopen = ’n stapke loopen = een eindje wandelen; ’t is moar ’n stap of wat = ’t is maar enkele schreden van hier, ook alleen: ’t is moar ’n stap; in de stap loopen = in den gewonen pas loopen, ter onderscheiding van: op ’n draf, of: in ’n sprang; op stap goan = op weg gaan, aan den loop gaan, de wandeling beginnen; ’n stap of: stapke hadder loopen = den pas versnellen; stap hollen = in de stap blieven = pas houden, in den pas blijven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stap , stappen , steppen , = stiefbeugels = stijgbeugels.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
stap , stappien , hekje, V, 36.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
stap  , stap , stepke , stap.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
stap , stappe , vrouwelijk , dichtslaande val. Vroutenstappe.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
stap , stappe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , stapn , stàpken , klem, om dier te vangen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
stap , stabbe , stap , ratteval
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
stap , stap , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze hier en deer ’n stap geve (hêle stikke overslaan)), met zeer grote passen lopen. | Hai geeft hier en deer ’n stap. Verkleinvorm stapke. Opstapje bij de bedstee, dwarsplankje bij een hek dat het overstappen of -klimmen vergemakkelijkt. Meervoud, variant stape | Neem niet zukke grôte stape. Zegswijze grôte stape, gauw thuis, gezegd als men hard doorwerkt, zo spoedig mogelijk klaar wil zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
stap , stappe , klem of val, b.v. om muizen en ratten te vangen.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
stap , stappe , klem.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
stap , stap , stappe , de , stappen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook stappe (Zuidwest-Drenthe) = (ratten)val Ik har vanmorgen een mooie buunzing in de stappe zitten (Ruw), Hij haar een stap zet in het hoounderhok (Eex), z. ook röttenval, buuslingval
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stap , stap , stappe , de , stappen , Ook stappe (Zuidwest-Drenthe in bet. 2.) = 1. stap Ast nog een stap dichterbie komst, pak ik die (Bov), Zij hef een mooie stap over zuk loopt mooi (Erf), Het gung stap veur stap langzaam (Eri), Dat pèerd is nauw op de stap loopt nauw (Sle), Der zit wel stap an dat pèerd heeft een goede houding bij het lopen (Dwi), Dat peerd het een mooie veierkaante stap (Row), Dat pèerd, ie kunt er haost gien stap ofkriegen wil niet vooruit (Sle) 2. (meestal verkl.) opstapje aan fiets of koets Der zaten eerder twie stappies an een fiets, an beide kaanten iene (Eke), De aol baos mus een stappie an de fiets hebben (Vri), Mag ik op de stappe staon, aj een endtie gaot fietsen? (Noo) 3. (meestal verkl.) overstap As e op dat stappien giet staon, kan e der zo overspringen (Pdh), Daor stund een stappien bij het hekke (Hgv) 4. trap aan de kant van vaart of sloot (Zuidoost-Drents veengebied, Veenkoloniën, Midden-Drenthe) Wie harren een stap in de sloot, woor wie het water veur het vei oetheulden (Bco), Een stappie bij de vaort (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
stap , stap , stap
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
stap , stappe , klem voor ratten of bunzingen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
stap , stap , zelfstandig naamwoord , et 1. stalt, boenstoep, ook buunstap: vloer van planken, later ook wel van steen, meestal met pomp, waarop men potten en pannen, melkbussen, emmers etc. schoonmaakte, waarop men de was deed enz. (buiten, of tussen woon- en bedrijfsgedeelte) 2. soortgelijke houten vloer boven een vaart, een brede sloot e.d., nabij een huis, boerderij
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stap , stap , zelfstandig naamwoord , de 1. pas, schrede 2. wijze van stappen, manier van lopen 3. herkenbaar onderdeel van een ontwikkeling 4. in op stap lopend onderweg, ook algemener: ervandoor, zich elders bevindend, aan de zwier 5. voetspoor (van een mens) 6. rattenval, ook wel geschikt om bunzings of vossen mee te vangen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
stap , stap , zelfstandig naamwoord , stappe , stappie , [O] houten vlonder boven vliet of sloot, algemeen gebruikt voor boenwerk; Mokkies onder de stap douwe? Zal ik je eens onder de boentree stoppen? (uitdrukking waarmee Puttershoekers werden uitgejouwd); stappie, [meervoud] stappies stapje Kom is een stappie op Kom eens wat naderbij
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stap , step , zelfstandig naamwoord , steppe , steppie , 1. stap Dat zieke schaep doe gêên step, al daege nie Dat zieke schaap heeft al dagen geen stap gedaan We binne nog gêên step vedder gekomme Een steppie d’r bij doen 2. staande voet Da’ kon nie wachte, dat mos en zou op een steppie beure Dat kon niet wachten, dat moest en dat zou op staande voet gebeuren
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
stap , stap , stappe , val voor bunzingen, vossen etc.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
stap , stap , (mannelijk) , stappe/step , stepke , stap , Stepke vuuer stepke.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut