elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: staf 

staf , staf , voor: zonder nering, waar het bedrijf is verloopen en niet meer wordt uitgeoefend; zien bakkerei is staf (= zien oven is kold wor’n = hij het de bōk in d’oven) = hij bakt niet meer. – Dit: staf, in fig. beteekenis = zich niet meer kunnen bewegen, en zoo: niet meer in werking zijnde, tot stilstand gedwongen. Het Oostfriesch heeft: de mȫlen steid staf = de molen wordt niet gebruikt. (Niezijl) = suf. Vgl. bakstaf.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
staf , staf , de steel van een dorschvlegel.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
staf  , staaf , staefke. , staf.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
staf , staf , staf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
staf , staf , zelfstandig naamwoord , de 1. herdersstaf, bisschopsstaf e.d. 2. de gezamenlijke medewerkers die de leiding hebben
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
staf , staf , bijwoord, bijvoeglijk naamwoord , 1. staf, suf 2. in staf over naacht/naf erg plotseling, wat te vlug:
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
staf , staaf , (mannelijk) , staef , staefke , 1. staf 2. stuk 3. snoep , De staaf van Sinterklaos.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
staf , staf , zelfstandig naamwoord , stèfke , WBD karnstaf (stok met cirkelvormige, van openingen voorziene plank, die in de karnton op en neer bewogen wordt), ook genoemd 'stèfke' 'booterstaf', ' booterstèfke'; WBD III.3.3:110 'staaf', 'stok' of 'spies' = staf v. d. swiss; A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland, 1962 - staf, zelfstandig naamwoord mannelijk  staf; mv. 'steef' en 'staof', dem. 'steefke' en 'stäfke(n)'; WNT STAF (I) 14) a) pols in een karnton
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
staf , staaf , staef , stefke , staf
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut