elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: sta 

sta , sta , vleeschkuip
Bron: Boers, B. (1843), [Goerees] ‘Lijst van eenige verouderde, of in de provincie Zuidholland niet gebezigde Nederduitsche woorden, welke op het eiland Goedereede en Overflakkee nog heeden in gebruik zijn’, in: Beschrijving van het eiland Goedereede en Overflakkee, Sommelsdijk, pp. 48-57
sta , stao , imper. van staon. In verbinding met zeggen: ʼn stük vleis, dat stao zeg, een groot stuk vleesch. ʼn Boddel, die stao zeg, een grote borrel. ’n Blok hòlt, dat stao zeg, dat moeilijk stuk te krijgen is of dat lang kan branden.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
sta  , stank , Enne stank in de waeg, Een sta in den weg. Stank stil, sta stil.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
sta , stao , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = vertraging in de groei Bevriezen of te lange dreugte, daor kriegt erpel stao van (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op www.meertens.knaw.nl/ewnd/,
gehost door het Meertens Instituut